|

|
KiesKleurig
handleiding intercultureel
lesmateriaal
Auteurs: Ineke Mok & Peter Reinsch
©Parel, Utrecht 1999
Overname uit deze uitgave is toegestaan mits onder bronvermelding
|
Exacte
vakken
Dit
hoofdstuk is gewijd aan vakken die ogenschijnlijk minder aan
een bepaalde culturele invul-ling onderhevig zijn, de exacte
vakken: wiskunde, schei-kunde, natuurkunde, techniek en
biologie. Het onderwijs in de exacte vakken is steeds
realistischer aan het worden. Veel leerboeken bevatten
situaties die ontleend zijn aan de leefwereld van
leerlingen. Dit biedt aanknopingspunten voor een
interculturele aanpak. Fred Mulder voorziet voorbeelden uit
leermiddelen van commentaar en geeft suggesties voor de
behandeling van de exacte vakken in de klas.
In een
notendop
Stel, iemand
weet niet dat Nederland een multiculturele samenleving is.
Laten we hem of haar een schoolboek voor een van de exacte
vakken in handen geven met het verzoek het van begin tot
eind door te kijken. Zou onze onbevangen lezer al bladerend
zeggen: 'Hé, wat een etnische verscheidenheid in dat
land!'
Nee dus. En
niet doordat er in schoolboeken geen mensen voorkomen, maar
doordat vrijwel al die mensen autochtoon zijn. Voorzover er
allochtone mensen in voorkomen, figureren ze vaak alleen als
naam. Zoals in Getal en ruimte, vbo-mavo 1, waar zes
deelnemers aan een hardloopwedstrijd Hans, Jan, Mary,
Dinesh, Dolores en Jasper heten. Of in hetzelfde boek de zin
'Achmed komt om 10.47 uur met de trein aan'. In nogal wat
boeken is dat het enige wat naar de multi-etnische
samenstelling van de bevolking van Nederland verwijst. En
voorzover je als lezer over allochtone mensen meer dan hun
naam te weten komt, gebeurt dat nogal eens in een zorgelijke
context.
De
ontwikkeling van intercultureel onderwijs is grotendeels aan
de exacte vakken voorbijgegaan. Maar ze krijgen een tweede
kans. Het onderwijs in de exacte vakken is realistischer aan
het worden en bevat steeds meer contexten en situaties die
ontleend zijn aan de leefwereld van de leerlingen. Dat
realistische karakter biedt aanknopingspunten voor
hernieuwde pogingen om tot een interculturele aanpak te
komen. In zon aanpak laten biologie, natuurkunde,
scheikunde, techniek en wiskunde zich inspireren door het
besef dat zij overal ter wereld tot ontwikkeling zijn
gekomen en dat niet-westerse culturen daaraan grote
bijdragen hebben geleverd.
Dat is in
een notendop de visie die als basis heeft gediend voor dit
hoofdstuk. Cruciaal is het onderscheiden van drie niveaus,
van klein naar groot: de klas, de Nederlandse maatschappij
en de hele wereld.
In 5.1 gaat
het om de manier waarop schoolboeken voor exacte vakken
kijken naar niet-westerse samenlevingen.
In 5.2
stappen we over op het niveau van de multiculturele
maatschappij in Nederland. Hoe kan je aan schoolboeken voor
exacte vakken zien dat Nederland een multiculturele
samenleving is? Enkele van deze voorbeelden laten zien hoe
in een multicultureel samengestelde klas de exacte vakken
behandeld kunnen worden.
In 5.3
richten we ons op bijdragen van niet-westerse delen van de
wereld aan de ontwikkeling van exacte vakken. Wat daar over
het vak wiskunde naar voren wordt gebracht, kan met evenveel
recht en reden worden bepleit voor biologie, natuurkunde,
scheikunde en techniek: aandacht voor de geschiedenis van
het vak, in brede zin, dus ook niet-Europese, niet-westerse
bijdragen.
Vrijwel alle
voorbeelden komen erop neer dat schoolboeken tekort schieten
wanneer je ze door een interculturele onderwijsbril bekijkt.
Regelmatig zullen leerkrachten zich gedwongen zien
tekortkomingen of regelrechte missers te corrigeren. In het
beste geval biedt het boek een minimaal aanknopingspunt en
kan men proberen dat maximaal uit te buiten. Dat klinkt erg
schraal. Maar petje af voor docenten die kans zien om die
beide punten in praktijk te brengen. Tegelijkertijd kunnen
er docenten zijn die zeggen: 'Ik wil het boek af en toe best
even loslaten. Is er geen alternatief materiaal om zo nu en
dan eens een les of lessenserie mee te vullen?' Aan hen hoop
ik enige handreikingen te bieden.
5.1 Het beeld van niet-westerse
samenlevingen
Rimboea
Dit fragment komt uit een
wiskundeboek en vormt daarin de opening van een hoofdstuk
over het meten van lengte.
'Dicht bij de kust van
Afrika ligt een eiland dat vroeger de naam 'Rimboea' droeg.
De mensen die er woonden hadden bepaalde gewoontes waar ze
niet van af wilden stappen.
Zo is het bekend dat de
Rimboeanen bij het meten van een aantal zaken het palmblad
gebruikten. Als je vroeg hoe veraf een andere stam woonde,
dan gaven ze een antwoord in 'stokjes gooien'. Als ze
moesten meten hoe dik iets was, dan gebruikten de Rimboeanen
daarvoor 'aardkluiten'.
Opdracht: Welke dingen
gebruikten de Rimboeanen bij het meten? Gebruiken wij die
maten nu nog?'(1)
Dit boek was in de jaren
tachtig nog in omloop. Het loont de moeite om er even in
detail naar te kijken. Om te beginnen een kleinigheid waar
je licht overheen leest: 'Dicht bij de kust van Afrika'.
Waar zou dat zijn? De kust van Afrika is enkele
tienduizenden kilometers lang. Blijkbaar vindt de auteur een
nauwkeuriger plaatsaanduiding niet nodig, hetgeen past bij
het beeld van Afrika als ongedifferentieerd, diffuus en ver
weg. Het is ironisch dat deze plaatsaanduiding voorkomt in
de openingstekst van een hoofdstuk dat nu juist het meten
van lengte en afstand tot onderwerp heeft.
Het eiland droeg vroeger de
naam 'Rimboea'; hoe het nu heet is blijkbaar niet van
belang. De naam kan niet anders dan afgeleid zijn van
'rimboe'. Rimboe roept twee associaties op, afhankelijk van
het perspectief dat je kiest. Een westerling die de rimboe
ingaat, is onverschrokken en tegen ontberingen opgewassen.
Maar mensen die in de rimboe wonen zijn primitief en
achterlijk.
De tweede zin bevat een
stevig waardeoordeel: 'bepaalde gewoontes waar ze niet van
af wilden stappen'. Was dat dan nodig? Heeft iemand
geprobeerd ze ervan af te brengen?
De rest van de tekst
beschrijft drie van die gewoontes, ontsproten aan het brein
van de auteur. Bij wijze van uitsmijter zet de tweede zin
van de opdracht de Rimboeanen nog even extra op hun plaats:
'Gebruiken wij die maten nu nog?'
Het is onwaarschijnlijk dat
je in leerboeken van nu iets van het kaliber van Rimboea
zult tegenkomen. Ik heb het hier besproken als uitvergroting
van verschijnselen die in subtielere, meer verborgen vorm in
recente schoolboeken wél zijn aan te
treffen.
Wat moet een docent met een
tekst als deze? Algemeen geldende adviezen zijn lastig te
geven, want een aanpak die in de ene klas werkt hoeft in een
andere klas volstrekt niet aan te slaan. Toch geef ik enkele
adviezen voor het geval de leerkracht van mening is dat de
gewraakte passage niet zonder correctie aan de leerlingen
voorgehouden kan worden. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan
pogingen om leerlingen de passage zelf te laten
'doorprikken' door een richtvraag te stellen die past bij
het karakter van het stuk in kwestie. Bij Rimboea zou ik
vragen: 'Wat denk je, is dit stukje echt, of is het
verzonnen? Waar zie je dat aan?'
Rond de beantwoording van
die vragen is een klassegesprek te voeren waarin de
elementen uit de eigen analyse van de leerkracht
ongetwijfeld opduiken. Pas daarna is het tijd voor een
oordeel. Geef leerlingen de kans om zich uit te spreken,
maar oefen geen zware druk uit. Eventueel kan de docent de
leerlingen voorhouden dat dit stukje leerstof in het boek
niet behandeld wordt. Het is moeiteloos te vervangen door
ander materiaal.
Tandpasta
'Jaarlijks gebruiken wij in
Nederland ongeveer 60 miljoen tubes tandpasta: dat is meer
dan vier per persoon. We doen er dus wel wat aan om ons
gebit schoon en gezond te houden! Bij natuurvolken besteedt
men maar weinig aandacht aan het gebit. Het voedsel is
meestal zo stevig, dat door lang kauwen het tandvlees wordt
gemasseerd. Het gebit blijft in goede conditie. Er zijn wel
volken waar het gewoonte is na het eten op harssoorten te
kauwen of waar men na de maaltijd een stukje hout gebruikt,
dat aan het uiteinde is gesplitst: een voorloper van de
tandenborstel. Al in de vroege oudheid werd door de
Egyptenaren gebruik gemaakt van mondwaters en
tandpasta-achtig materiaal om de mond te verfrissen en
eventuele pijn te verlichten. Het tandbederf was vroeger
echter duidelijk minder dan in onze tijd.'(2)
Stevig voedsel eten en
daardoor niet veel hoeven te doen om je gebit in conditie te
houden. Dat klinkt goed. Echter, die positieve boodschap is
slechts met veel goede wil te lezen in deze tekst, die voor
het overige een beeld oproept van
onderontwikkeling. Dat komt
onder meer door het woordgebruik: 'volk' en
'natuur--volken'. Met name de uitdrukking 'een voorloper van
de tandenborstel' draagt krachtig tot dat beeld bij. De
auteur suggereert dat de 'volken' in de toekomst wel tot het
gebruik van de tandenborstel zullen overgaan. Er gaapt dus
een kloof in ontwikkeling tussen tandenpoetsers en
niet-tandenpoetsers. Een variant op het 'terugplaatsen in de
tijd' dat we in het vorige voorbeeld aantroffen.
En een gat in de markt van
ontwikkelingssamenwerking, zoals cabaretier Youp van 't Hek
dat al zag: ' ... een vertegenwoordiger in tandenborstels
die een afspraak had met de NOVIB voor een mammoetorder van
300.000 tandenborstels per jaar voor Afrika'.
Opmerkelijk is de verwijzing
naar de (oude) Egyptenaren. Ze nemen een tussenpositie in.
Met hun mondwaters en 'tandpasta-achtig materiaal' vallen ze
niet in de categorie der 'natuurvolken'.
Een Afrikaans
huis
'Als tegenhanger van de
moderne woningbouw een foto van een Afrikaans woonhuis. Dit
is een zogenaamde rondavel, zoals die al eeuwenlang van leem
en droog gras opgetrokken wordt. De constructie, een
cilinder met als dak een kegel, heeft kennelijk z'n
deugdelijkheid bewezen.'(3)
Bij oppervlakkige lezing
lijkt het alsof over het Afrikaanse huis op een positieve
manier wordt geschreven. Maar bij nadere beschouwing blijkt
het Afrikaanse woonhuis gepresenteerd te worden als
tegenhanger van 'de moderne woningbouw'. Alsof moderne
woningbouw niet Afrikaans is. Alsof woningbouw in Afrika
zich niet vernieuwt, maar een onveranderlijk gegeven is. Dat
statische is nu juist een bekend negatief stereotype als het
om Afrika gaat. Als schoolboekauteur moet je niet zulke
zinnen schrijven die inspelen op vooroordelen bij
leerlingen.
Let ook op het woordje
'kennelijk', dat op scepsis duidt. De auteur heeft er geen
fiducie in, maar gezien de eeuwenlange traditie van bouwen
in deze vorm zal het wel deugdelijk zijn. Impliciet zegt de
auteur daarmee: 'Voor ons westerlingen zou het niks zijn,
zo'n huis, maar voor de mensen daar is het blijkbaar
adequaat'. Of toon ik mij nu overdreven gevoelig?
Japan en
Nederland
'Arme landen bezitten weinig
kennis. Landen als Japan en Nederland danken hun welvarende
positie voornamelijk aan het feit dat ze die juist wel in
huis hebben.' (4)
Deze tekst staat in de
marge, los van het lopende verhaal, in een hoofdstuk over
gedrag. Daarin wordt aandacht besteed aan overdracht van
kennis. De eerste zin behelst een grove generalisatie; de
tweede getuigt van een beperkte blik op verschillen in
welvaart tussen landen. En de boodschap van beide zinnen
samen is: arme landen zijn arm doordat ze weinig kennis
bezitten.
Voor het betoog in het boek
is deze passage nauwelijks van belang. Als docent zul je er
daarom mogelijk niet eens aandacht aan besteden. Maar de
leerling die de tekst wél leest, krijgt en passant
een gedachte aangereikt die zich moeiteloos voegt in
eventueel bestaande vooroordelen. Om dat te voorkomen is het
goed wanneer de docent toch wél even bij de hier
gepresenteerde stelling stilstaat.
Met een intellectueel
gemotiveerde klas &endash; het gaat hier om 5 vwo &endash;
zou ik het wel aandurven om te vragen: 'Wat voor soort
voorwaarde is het bezit van kennis voor het bereiken van
welvaart, een noodzakelijke of een voldoende voorwaarde?
Volgens de tekst? En volgens jou?' En als de klas enigszins
vertrouwd is met propositielogica, dan is het leuk om die op
dit tekstje los te laten en het daarmee te
'kraken'.
Op een iets eenvoudiger
niveau kun je vragen: 'Wie weet een land dat én veel
kennis heeft én arm is?' Eén tegenvoorbeeld is
genoeg om de generalisatie in de eerste zin te
ontkrachten.
5.2 De multiculturele
klas
Oksijen
Bij scheikunde moeten
leerlingen flink wat namen van elementen leren, met daarbij
de symbolische notatie. Zo is de symbolische notatie voor
het element zuurstof 'O', van de Latijnse naam 'oxygenium'.
Meertalige zij-instromers kennen mogelijk het woord zuurstof
niet. Het ligt voor de hand om het woord te verduidelijken
met behulp van de symbolische notatie 'O', die immers
internationaal is. En wellicht heeft de meertalige leerling
indertijd in eigen land ook het Latijnse 'oxygenium'
geleerd.
In veel talen lijken de
namen van sommige scheikundige elementen heel erg op de
Latijnse. Zo is het Turkse woord voor zuurstof 'oksijen'.
Voor een Turkse leerling is het veel en veel leuker om uit
de mond van de docent scheikunde het vertrouwde 'oksijen' te
horen dan het al of niet bekende 'oxygenium'.
Zo'n gesprekje draagt ook
sterk bij aan een goede verstandhouding tussen docent en
nieuwe leerling, omdat je als docent laat merken dat je je
in de achtergronden van de leerling hebt verdiept. Zowel
didactisch als pedagogisch gezien is het een uitstekende
investering om van een aantal elementen in een aantal talen
de namen te leren. Daar is makkelijk achter te komen in een
school met meertalige leerlingen.
Het ging in dit voorbeeld om
zuurstof. Nu is er ook een element met de naam 'koolstof',
en een koolstofverbinding die 'koolzuur' heet. Dat levert in
de klas wel eens grapjes op over 'zuurkool'. Woordgrapjes
als deze zijn vaak moeilijk te volgen voor meertalige
leerlingen. Zij kunnen zich daardoor buitengesloten voelen,
denken dat ze iets belangrijks missen, of dat zij het
onderwerp van de hilariteit in de klas zijn. Denk als docent
niet te snel: 'ja, maar dit kan ik niet uitleggen'. Om bij
het voorbeeld van de Turkse leerling te blijven: zuurkool is
in de Turkse keuken niet heel gangbaar, maar onder Turken in
Nederland ook weer niet geheel onbekend. Er is dan ook een
Turkse benaming voor: 'lahana tursusu'. De docent die deze
woorden op het bord schrijft, heeft het echt bij de
leerlingen gemaakt.
S 39
De tekst hieronder is een
klassieker uit de literatuur over vaktaal in samenhang met
tweede-taalverwerving. Het punt waar het om gaat is: als je
een schoolboektekst te moeilijk vindt voor leerlingen, is
het dan aan te raden om die tekst te gaan
herschrijven?
Oorspronkelijk:
'Voordat de onderdelen aan
elkaar vastgesoldeerd kunnen worden, moeten ze eerst goed
schoongemaakt worden met schuurpapier. Om het tin-soldeer,
een legering van tin en lood, goed uit te kunnen laten
vloeien, moet je eerst S 39 op de punt van de soldeerbout
smeren.'
Herschreven:
'&endash; schuur de
onderdelen goed schoon met schuurpapier;
&endash; smeer een beetje S
39 op de punt van de soldeerbout;
&endash; houd tegen de
soldeerbout een stukje tin-soldeer.' (10)
Wat maakt de oorspronkelijke
tekst zo lastig? Het gebruik van samengestelde zinnen en het
feit dat de handelingen niet staan beschreven in de volgorde
waarin ze moeten worden uitgevoerd. De herschreven versie
heeft beide problemen opgelost. Maar daar wordt een prijs
voor betaald: de logische samenhang is verdwenen, en de
samenstelling van tin-soldeer komt de lezer ook niet meer
aan de weet. Behalve reductie van informatie zijn er ook
bezwaren van praktische aard. Leerkrachten moeten behoorlijk
taalvaardig zijn om teksten te produceren die aan hun eigen
eisen voldoen. En herschrijven vergt een tijdsinvestering
die over een langere periode niet is vol te
houden.
De leerkracht zal dus
mondeling uitleg moeten geven in bewoordingen die leerlingen
wél begrijpen.
Mijn advies zou zijn:
verzuim niet om voortdurend duidelijk te maken op welke
passage in het boek uw mondelinge verhaal betrekking heeft.
Zeker als u uit het boek wél huiswerk
opgeeft.
Leila en
Khadizeh
Leerboeken voor exacte
vakken bevatten steeds meer situatiebeschrijvingen. De
taal-vaardigheid van een leerling bepaalt de mate waarin hij
of zij de beschrijving kan volgen. De sociaal-economische
status en de etnisch-culturele achtergrond van een leerling
bepalen de mate waarin hij of zij de beschreven situatie
herkent of zich erin kan inleven. Die twee factoren
interacteren: een vertrouwde situatie verdraagt een lastiger
beschrijving en een onbekende situatie behoeft een
toegankelijker beschrijving.
Belangrijk is dat docenten
erop gespitst zijn bij de introductie van elke nieuwe
context te onderzoeken voor welke leerlingen deze situatie
mogelijk niet inleefbaar, niet voorstelbaar is. Meisjes,
jongens, leerlingen met een bepaalde sociaal-economische
positie, allochtone leerlingen?
Een gesprek met de klas, het
kiezen van een andere invalshoek kunnen vaak al soelaas
bieden. Dat laatste is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Hier
een voorbeeld van een docent die een briljante inval kreeg.
Daarmee kon hij appelleren aan de achtergrond van zijn
Koerdische leerlingen Leila en Khadizeh, die waren
vastgelopen in een opgave over kamperen in Nederland.
Visuele informatieoverdracht speelde een centrale rol in de
vorm van een luchtfoto van een camping.
'(. . .) Zo vanuit de lucht
ziet een normaal mens natuurlijk nooit een camping. Opeens
schiet me te binnen dat dit Koerdische meisjes zijn, die uit
een bergachtig gebied komen en ik vraag: 'Als je door de
bergen trok, heb je dan wel eens van bovenaf gekeken naar
een dorpje in een dal?' Dat hebben ze. 'Eigenlijk kijk je op
precies dezelfde manier naar deze camping'. Dat blijkt een
sleutel te zijn. Even later wijst Leila op de ansichtkaart
en op de plattegrond het hoofdgebouw aan.'(5)
Amsterdam-Oujda
Dat exacte vakken heel goed
gebruik kunnen maken van een context uit de multiculturele
samenleving toont de volgende wiskunde-opgave, waarin de
regelmatige bezoeken aan het herkomstland ter sprake
komen.
'Aicha gaat van de zomer met
haar ouders naar Marokko, per auto. Ze gaan naar hun dorp in
de buurt van Oujda. Dat is ongeveer 3.500 kilometer rijden.
Ze is ook wel eens met het vliegtuig geweest. Eén
keer per week zijn er directe vluchten Amsterdam-Oujda.
Hoeveel kilometer zou het per vliegtuig zijn?'(6)
Wanneer leerkrachten aan het
werk gaan met alternatief materiaal met een meer
uitgesproken intercultureel karakter kan de les onverwachte
wendingen nemen. Daar is niets op tegen, maar het kan geen
kwaad er even bij stil te staan.
Zo moeten leerkrachten heel
zorgvuldig zijn in het ontlenen van contexten aan
herkomstlanden van meertalige leerlingen. Hun leefwereld
bevindt zich immers voor een belangrijk gedeelte in
Nederland en het risico bestaat dat een aan hun herkomstland
ontleende context ze niets zegt. Leerlingen kunnen daardoor
flink in verlegenheid worden gebracht, want ze realiseren
zich natuurlijk haarscherp dat ze geacht worden de situatie
te herkennen. Stel dat je bij behandeling van
'Amsterdam-Oujda' een Marokkaanse leerling een beurt geeft
en die leerling blijkt nooit van Oujda te hebben gehoord,
dan kan dat een ronduit pijnlijke ervaring zijn. En dat is
toch het laatste wat je beoogde. (Overigens is die kans met
Oujda klein. Een zeer groot gedeelte van de Marokkaanse
inwoners van Nederland is afkomstig uit het Rifgebergte in
Noord-Marokko. Zeker vanuit het midden en oosten van de Rif
gezien geldt Oujda als belangrijk centrum.)
Hier een onverwachte wending
die zich voordeed in een les, op basis van de opgave over de
reis naar Oujda.
Mahmoud: Hoe weet u dat?
Bent u weleens in Marokko geweest?
Docente: Ja, maar niet in
Oujda. Ik heb zo'n goedkope vlucht naar Agadir
genomen.
Mahmoud: Mogen wij
niet.
Murat: Ja, naar Turkije ook.
Goedkope vliegtuigen zijn alleen voor toeristen.
Discriminatie is dat.
Docente: Goh, dat wist ik
niet. Waarom is dat?
Ineens duikt discriminatie
als onderwerp op in het gesprek met de klas. De reactie van
de leerkracht in zo'n situatie is van cruciaal belang voor
diens verhouding met de klas. De verleiding is misschien
groot om het gesprek over discriminatie omwille van de tijd
uit de weg te gaan of te verschuiven. Op termijn loont het
echter de moeite om in zon geval toch maar de les in de war
te laten raken en met de leerlingen in gesprek te
gaan.
5.3 Niet-westerse bijdragen aan
exacte vakken
De driehoek van Omar
Khayyam
In Getal en ruimte deel 4V
AB (niet meer in omloop), staat een Chinese 'driehoek van
Pascal' afgebeeld bij het hoofdstuk over combinatoriek. Dat
hoofdstuk heb ik ooit behandeld in een groep meertalige
cursisten, onder wie een aantal van Chinese afkomst, die het
zeer konden waarderen. Cursisten uit Iran protesteerden
echter tegen de tekst. Dit was niet de driehoek van Pascal,
maar de driehoek van Khayyam. Ik vroeg of ze de dichter Omar
Khayyam bedoelden. Inderdaad. Khayyam, zo vertelden ze, was
een universeel geleerde zoals je die tegenwoordig niet meer
hebt. Zijn geboortejaar is niet bekend, maar hij stierf
waarschijnlijk in 1123. Ik begon het nu echt interessant te
vinden en vroeg of ze een Iraans schoolboek hadden waarin
die driehoek naar Khayyam genoemd werd.
De volgende les kwam een
Iraanse studente met één van haar eigen
vroegere wiskundeboeken aanzetten. De driehoek werd daarin
gepresenteerd als 'driehoek van Pascal-Khayyam'. Beide
partijen kregen dus gelijk, al moet worden erkend dat
Khayyam eerder was. Pascal publiceerde er in 1653 over. De
Chinese driehoek uit Getal en ruimte blijkt te worden
toegeschreven aan Chu Shih Chieh, die erover schreef in
1303. Later dan Khayyam, maar vroeger dan Pascal.
Wat betekent deze anekdote
voor de lespraktijk? Gegeven het feit dat een echt
intercultureel schoolboek voor een exact vak niet bestaat,
is het van belang om aanknopingspunten in bestaande boeken,
hoe minimaal ook, op te merken en er iets mee te
doen.
Zwarte Egyptenaren en
blanke Grieken
In de westerse
voorstellingen van het Egypte uit de tijd van de farao's
zijn de Egyptenaren blank. In werkelijkheid waren de oude
Egyptenaren zo goed als zeker zwart. Uiteraard maakt het
voor een oordeel over hun prestaties niet uit of ze zwart
waren of blank. Maar juist de laatste tijd zijn er, met name
in de Verenigde Staten, onderwijsprogramma's ontwikkeld
waarin een donkere huidkleur van de oude Egyptenaren een
prominent gegeven is.
'Ter bevordering van de
'zelfwaardering' van zwarte leerlingen is Webb School in de
arme Washingtonse binnenstad overgegaan op een zogenoemd
Afrocentrisch schoolprogramma. (. . .) Nu leren de
kindertjes van de Webb School dat ze van zwarte prinsessen
en koningen afstammen, dat Afrikanen de tijd, het vuur en
wat al niet meer hebben ontdekt en dat de blanke Grieken al
hun klassieke wijsheid van de 'zwarte' Egyptenaren hebben
gestolen en dat blank racisme de oorzaak is van alle
kwaad.'(20)
Zo moet het dus ook niet.
Hieronder een voorbeeld van een evenwichtiger
benadering.
'Het verband tussen de
zijden van een rechthoekige driehoek, dat bekend staat als
de stelling van Pythagoras, is in de loop van de
geschiedenis op een aantal plaatsen in de wereld beschreven,
aangetoond en toegepast. Zo maakten de Babyloniërs er
&endash; getuige een kleitablet uit de periode 1900-1650
vóór Christus &endash; gebruik van om de
lengte van de diagonaal van een vierkant met bekende zijde
te berekenen. Pythagoras leefde rond 500 vóór
Christus. Van hem en andere grote Griekse wiskundigen is
bekend dat ze uitgebreid gereisd hebben in Egypte en
Mesopotamië. Volgens sommige bronnen is Pythagoras
zelfs in India geweest.'(21)
De stelling van Pythagoras
is nog altijd, ook in het nieuwe programma, verplichte kost.
Het zou prachtig zijn als schoolboeken historische
informatie als bovenstaand zouden leveren. Maar dat doen ze
niet. Zorg daarom dat je af en toe zelf een stukje
geschiedenis kunt toevoegen. Streef vooral geen volledigheid
na. Selecteer een aantal onderwerpen waarvan de historische
ontwikkeling je zelf interesseert en waarvoor je over
bronnen kunt beschikken, en kom in de loop van een
schooljaar een aantal keren met zo'n verhaal op de proppen.
De stelling van Pythagoras is mijns inziens een goede
kandidaat.
Mekka
Mijn laatste voorbeeld gaat
over het bepalen van de qibla, de islamitische
gebedsrichting, richting Mekka dus.
Er bestaan gebedskleedjes
met in het midden een kompas, dat 'Mekka-meter' wordt
genoemd en de gebedsrichting aanwijst.
Op drie niveaus, dat van de
klas, van de Nederlandse maatschappij en van de hele wereld,
biedt deze context een prachtig aangrijpingspunt voor
intercultureel onderwijs. De islamitische leerlingen in de
klas voelen zich erdoor aangesproken. Ook als ze niet streng
gelovig zijn, zijn ze zeker bekend met de gebedspraktijk.
Hou er wel rekening mee dat er ook niet-moslims wonen in
islamitische landen.
Gezien het multiculturele
karakter van de Nederlandse maatschappij is het zinvol dat
alle leerlingen kennis nemen van het bepalen van de qibla.
Ook in Nederland worden moskeeën gebouwd, die op Mekka
georiënteerd moeten zijn.
En op het derde niveau, dat
van de hele wereld, geeft dit voorbeeld zicht op
islamitische bijdragen aan de ontwikkeling van wiskunde en
astronomie. De meeste van de tweehonderd islamitische
handboeken over astronomie, die tussen 750 en 1750 na
Christus zijn verschenen, wijden minstens één
hoofdstuk aan het qibla-probleem. Er worden verschillende
methoden beschreven. In sommige constructies beschouwde men
de aarde als een plat vlak, waarmee men goede benaderingen
kreeg voor de qibla in een niet al te groot gebied rond
Mekka. Geen enkele islamitische astronoom beschouwde de
aarde trouwens echt als een plat vlak.
Andere constructies werkten
met grootcirkels om kortste afstanden en richtingen op een
bol aan te geven. (Een grootcirkel is een cirkel die een bol
in twee halve bollen verdeelt.)
Mekka is een rijke en
efficiënte context, die meer dan één doel
dient doordat alle drie de niveaus van intercultureel
onderwijs er door bestreken worden. Dat is een groot
voordeel wanneer het gaat om alternatief materiaal dat je
als extra stof naast het boek behandelt. Want het kiezen en
vervolgens behandelen van een context is een flinke
tijdsinvestering, zowel van de docent als van de
klas.
Ook in vakinhoudelijke zin
is Mekka een rijke context: via grootcirkels is een
ele-gante link te leggen met wiskundig verwante problemen in
heel andere contexten, zoals de opdracht: 'Leg eens uit
waarom een vliegtuig van Nederland naar Vancouver zo'n sterk
noordelijke koers aanhoudt'.
5.4 Noten
1 Wiskunde in
uitvoering, deel 1 (niet meer leverbaar).
p.186.
2 Scheikunde voor
mavo, deel 1. Groningen: Wolters Noordhoff, 1986.
p.87.
3 Wiskunde in katernen
voor het MTO, deel 1. Rijswijk: Nijgh & Van Ditmar,
1991. p.95.
4 Biologie overal,
deel 5V. Educaboek, 1992. p.147.
5 Mulder, F., Wiskunde
een Wereldvak. Freudenthal instituut RU Utrecht/SLO
Enschede, 1992. p.107.
6 Wiskunde een
Wereldvak. Utrecht/Enschede: Freudenthal instituut RU
Utrecht/SLO, 1992. p.14-15.
7 In: NRC Handelsblad,
16 oktober 1993.
8 Naar: Handreikingen
Basisvorming Openbaar Onderwijs &endash; Wiskunde. Utrecht:
APS/SBOO, 1993. p.36.
9 Mekka.
Utrecht/Enschede: Freudenthal instituut RU Utrecht/SLO,
1993. p.2.
top
of page
|