|

|
KiesKleurig
handleiding intercultureel
lesmateriaal
Auteurs: Ineke Mok & Peter Reinsch
©Parel, Utrecht 1999
Overname uit deze uitgave is toegestaan mits onder bronvermelding
|
Kunstzinnige
vorming
Wie de
kunstzinnige vorming in het basis- en voortgezet onderwijs
een interculturele invulling wil geven, kan daarbij
nauwelijks terugvallen op een uitgebreide literatuurlijst of
verslaglegging van elders opgedane ervaringen. De hierna
volgende verzameling noties dient ter inspiratie voor
docenten die kunstzinnige vorming en intercultureel
onderwijs allebei belangrijk vinden voor hun
leerlingen.
Dit
hoofdstuk van Suzanne van Norden gaat over de volgende
kunstzinnige discipli-nes: drama, dans, muziek, beeldende
vorming, audiovisu-ele vakken en literatuur. Voor deze
disciplines bestaat niet veel schrif-telijk materiaal. Naast
aanwijzingen voor de beoordeling van bestaand materiaal
worden geschikte werkvormen voor de kunstzinnige disciplines
behandeld. De auteur waarschuwt tegen folklorisme en
stereotypen en tegen de neiging kinderen van allochtone
afkomst uitsluitend te laten optreden als exponenten van hun
niet-westerse achtergrond. Aan de andere kant bestaat het
gevaar dat bepaalde, op zelfexpressie gerichte werkvormen
gezien worden als niet-cultuurgebonden, terwijl ze toch niet
voor alle bevolkingsgroepen in Nederland gemakkelijk zijn
uit te voeren.
3.1 Kunstzinnige vorming in het
onderwijs
Productief, receptief en
reflectief
In alle kunstzinnige
disciplines bestaat het onderscheid tussen productief,
receptief en reflectief bezig zijn met kunst. Productief:
zelf iets doen of maken. Receptief: kunst bekijken of
beluisteren. Reflectief: over kunst denken of praten. Deze
drie bezigheden blijven soms strikt van elkaar gescheiden,
soms vormen ze een organische eenheid. Dat hangt af van de
opvattingen van een leerkracht, van doelstel-lingen en van
prakti-sche mogelijkheden.
Opvallend aan de algemene
doelomschrijvingen van kunstzinnige vorming is hun
breedheid. Kunstzinnige vorming wordt gezien als belangrijk
voor de oriëntatie op de wereld en voor de persoonlijke
en maat-schappelijke vorming van leerlingen. Anders gezegd:
het gaat dus om meer dan het kunnen maken van een schilderij
of schrijven van een gedicht. Het gaat ook om 'de
ontwikkeling van creativi-teit in denken, praten, gebaar en
gedrag'. (1) En om wat er met je gebeurt door het maken of
bekijken van een schilde-rij of het schrij-ven of lezen van
een gedicht, om de manier waarop het jou en je beleving van
de wereld beïnvloedt en verandert.
De doelen van kunstzinnige
vorming kunnen dus heel breed en algemeen zijn, en ook heel
beperkt en vakspecifiek. Kunstzinnige disciplines kunnen
worden ingezet als midde-len om algemene vormingsdoelen te
bereiken, maar ze kunnen ook doelen op zichzelf zijn. De
discussie over de vraag welke doelen nu voorop moeten staan,
keert steeds terug in de geschiedenis van de kunstzinnige
vorming.
Bij projecten die gerekend
kunnen worden tot 'interculturele kunstzin-nige vorming'
vind je meestal maar weinig omschrijvingen van vakspecifieke
doelen. Vaker gaat het in de eerste plaats om algemene
doelen als 'respect krijgen voor ver-schil-lende manieren
van leven', en worden kunst-zinnige werk-vormen gezien als
geschikte middelen om dat te bereiken.
Waarom ook kunstzinnige
vorming, naast de andere schoolvakken, inter-cul-tureel moet
worden, behoeft hier nauwelijks betoog. Ook op dit vakgebied
is een betere afstemming op multi-etnische schoolklassen en
op het ook elders samenle-ven van ver-schillende etnische
groepen noodzakelijk. Hoe zo'n afstemming eruit kan zien, is
echter niet meteen duidelijk. Naast het Rijksmuseum ook het
Tropenmuseum bezoeken met de klas? Turkse en Suri-naamse
liedjes opnemen in het zangrepertoire? Kunstzinni-ge
werkvormen inzetten bij projecten over racisme en
discri-minatie? De voor- en nadelen van deze uiteenlopende
benaderingen komen hier aan bod. Maar eerst geef ik een
beeld van de plaats die kunstzinnige vorming op dit moment
binnen het onderwijs inneemt.
Voor de doorsnee leerkracht
in het basisonderwijs bestaat de praktijk van kunstzinnige
vorming in de klas uit incidenteel tekenen, zingen en een
toneelstukje opvoeren. Lang niet alle basisscholen
beschikken over vakleerkrachten tekenen, handvaardigheid of
muziek; de klassenleer-krachten moeten meestal zelf bedenken
hoe ze het 'kunstzinnige' in hun programma kunnen brengen.
Zeker in meertalige groepen geven ze vaak prioriteit aan
taal en rekenen, zodat er maar weinig tijd over-blijft voor
een doelgerichte en systematische toepassing van de
'zachtere' vakken.
In het voortgezet onderwijs
ligt het iets anders. Hier zijn in de basis-vorming aparte
uren gereserveerd voor kunstzinnige vorming, en worden de
lessen per definitie door vakleerkrachten
gegeven.
Kunstzinnige vorming houdt
meer in dan tekenen, handvaardigheid en muziek. De term
'kunstzinnige vorming' is een verzamel-naam voor zes
vakge-bieden of disciplines die zijn afgeleid van de
kunsten, te weten: beeldende vorming, dramatische vor-ming,
dansante vorming, literaire vorming, muzikale vorming en
audiovisu-ele vorming. Met uitzondering van audiovisuele
vorming worden al deze disciplines genoemd in de Wet op het
Basisonderwijs.
Omdat tekenen,
handvaardigheid en muziek zowel op de basisschool als in het
voortge-zet onderwijs een vaste plaats in het curriculum
innemen, bestaan voor deze vakken methodes die zich
uitstrekken over de hele schoolperiode en waar een
schoolwerkplan op gebaseerd kan worden. Voor drama, dans,
literaire vorming en audiovisuele vorming moet de leerkracht
het hebben van losse brochures, lesbrie-ven, projecten of
documentatiemappen. Vaak zijn deze materialen thematisch
opgezet en worden meerdere disciplines met elkaar
gecombineerd.
Naast lesmateriaal kan een
school ook 'specialisten' in huis halen. Wegens het
structure-le tijdgebrek van de reguliere leerkrachten
gebeurt dat ook veelvuldig. Teken- en muziekleerkrachten
worden op sommige scholen vast aangesteld, maar vaker
&endash; zeker voor de overige disciplines &endash; wordt
een beroep gedaan op consulen-ten van instellin-gen voor
kunstzinnige vorming. In verschillende regio's wordt de
scholen jaarlijks een 'kunst-aanbod' gedaan en kan gekozen
worden uit allerlei vormen van ondersteu-ning op
kunstgebied: museumlessen, theatervoor-stellingen, een serie
danslessen in de klas, een fotografieproject, een cyclus
taaldrukken, een kinderkoorproject. Consulenten
kunstzin-nige vorming nemen hun eigen werkwijzen en soms ook
eigen lesmateriaal mee de klas in. Hun doelen zijn
verschillend; soms gaat het om een eenmalig evenement, soms
is het de bedoeling om reguliere leerkrachten zodanig bij te
scholen dat ze later in staat zijn ook zelfstandig met
werkvormen uit een kunstzinnige disci-pline te
werken.
3.2 Is kunstzinnige vorming
cultuurgebonden?
Vernieuwing en
traditie
In de moderne westerse
samenleving zijn origina-liteit, vernieuwing en creativiteit
centrale maatstaven bij het beoordelen van kunstuitin-gen.
Daarnaast ligt een grote nadruk op de individuele prestaties
van een kunstenaar. In de westerse kunstzin-nige
vormingspraktijk van pakweg de laatste vijftig jaar zijn
deze kenmerken terug te vinden. Bij alle discipli-nes staat
het stimuleren van de per-soonlijke expressie van kinderen
voorop. Inventiviteit wordt hoog gewaar-deerd. Hoe meer
ontdekkingen kinderen doen en hoe meer nieuwe manieren zij
vinden om persoonlijke belevingen en waarnemingen uit te
drukken, hoe beter.
In veel niet-westerse
culturen neemt kunst een heel andere plaats in. Kunst heeft
vaak religieuze doelen en wordt beoefend vol-gens vaste,
traditionele regels. Persoonlijke gevoelens zijn
onderge-schikt aan die regels en de individuele expressie
van de kunste-naar is minder belangrijk dan de religieuze of
filosofische functie van het geproduceerde kunst-werk. In
het bijbehorende kunstonderricht gaat het niet zozeer om het
zelf vinden van nieuwe wegen, maar om de juiste bewandeling
van de oude. De meester onderwijst hierin de leerling; deze
krijgt de kunst na langdu-rige oefening onder de
knie.
Deze verschillen in waarde
en plaats van kunst hebben gevolgen voor een interculturele
invulling van kunstzinnige vorming. De uitgangspun-ten van
kunstzinnige vorming zijn een uitvloeisel van westerse
kunst- (en mens)opvattingen. Het is de vraag of
niet-westerse opvattin-gen daarin zonder problemen opgenomen
kunnen worden.
Originaliteit en
clichématigheid
De meeste docenten
kunstzinnige vorming waarderen originaliteit bij kinderen
hoog; clichématigheid dient bestreden te worden.
Clichématigheid laat zich bij kinderen op allerlei
manieren zien: in de reeksen identieke zonnetjes en
bloemetjes op meisjestekeningen en vliegtuigen en wapens op
jongens-te-keningen, in het natekenen van populaire
stripfiguren, in het spelen van typetjes, in het nadoen of
playbacken van popster-ren, in taalgebruik bij het schrijven
van verhalen of gedichten, in het massaal kijken naar
dezelfde Amerikaanse films en tv-programma's.
Reguliere leerkrachten maken
hier meestal geen probleem van. Het plezier van de kinderen
bij dit soort activiteiten staat voor hen voorop en ze
missen de vakkennis om er iets aan te veran-deren. Het zijn
de vakdocenten die zoeken naar 'cliché-doorbrekende'
werkvormen en technie-ken. Zo ontstond op het gebied van de
beeldende vorming bij de Werkschuit '(inmiddels opgegaan in
de Stichting Kunstzinnige Vorming Amsterdam) in de jaren
vijftig het begrip 'vrijmakende techniek'. Dit omvat
beeldende technieken om kinderen te helpen van
clichés en vaste ideeën over mooi en lelijk los
te komen. Technieken als stempels snijden, verven met dikke
kwasten, papier scheuren, groepstekeningen maken, geven
onver-wachte en dus niet-clichématige
resulta-ten.
Niet-wes-ter-se culturele
tradities kennen vaak vormen van clichématigheid die
juist hoog aangeschreven staan. Islamitische kinderen wordt
soms vanuit religieu-ze motieven verboden om mensen of
dieren te tekenen; het minutieus tekenen van non-figuratieve
decoraties volgens vaststaande patronen wordt daaren-tegen
gewaardeerd. Ook in andere godsdien-sten bestaan vaste
symbo-len, kleurtoepassingen en voorstellingen die steeds,
met slechts kleine variaties, herhaald worden. Voor kinderen
met een hindoestaanse achter-grond zijn de eeuwenoude
verhalen van de Ramayana en de Mahabharata een
onuitputte-lijke bron. Steeds opnieuw worden ze verteld en
vormgegeven, zelfs in strip- of filmvorm. En ook in veel
andere culturen is de overle-vering (en dus eindelo-ze
herhaling) van oude verhalen belangrijker dan het bedenken
van nieuwe. Teksten uit het hoofd leren gebeurt in het
westerse onderwijs vrijwel nergens meer; op de Chinese
school en de Koran-school is dat juist een vooraanstaande
praktijk. Hetzelfde geldt voor de kunst van het
schoon-schrij-ven: kalli-grafie is in de Chinese en
Arabi-sche cultuur een aparte, hoog gewaardeerde kunstvorm,
waar ook kinderen zich op kunnen toeleggen. Leerkrachten
zullen zich moeten afvragen of bij deze culturele tradities
wel sprake is van een clichématig-heid die doorbroken
moet worden. En in het verlengde hiervan: of de nadruk op
originali-teit, authen-ticiteit en vrije expressie in de
moderne kunstzinnige vorming 'etnocen-trisch' te noemen is
en of deze centrale begrippen herzien moeten worden als we
kunstzinnige vorming intercul-tureel willen
maken.
Het bestrijden van
culturele eenzijdigheid
Interculturele kunstzinnige
vorming is niet alleen bedoeld voor kinde-ren uit etnische
groepen, maar even-goed voor witte Nederlandse kinderen.
Alle kinderen hebben er recht op en belang bij om niet
alleen met hun eigen culturele achtergrond, maar ook met die
van andere groepen in aanraking te komen. Het minst
problematisch is dat mis-schien nog als het gaat om
kennis-ver-werving. Een leerkracht kan zich zodanig
bijscholen en zo inventief zijn bij het zoeken naar
materi-aal, dat hij of zij kinderen kan confron-teren met
voorbeelden van kunst uit allerlei culturen en daarover veel
kan vertel-len. Kennisgericht, receptief en reflectief
lesmateriaal kan vrij eenvou-dig gescreend worden op
culture-le eenzijdigheid. Als lakmoesproef kunnen de
volgende vragen dienen. Wordt bij beelden-de
kunstbe-schouwing ook gekeken naar niet-wes-ter-se
kunstwer-ken? Worden ook voorbeelden van niet-westerse
muziek en niet-wester-se dans aangeboden? Is er aan-dacht
voor niet-wester-se literaire vormen, zoals orale tradities
of specifieke dichtvormen? Worden bij een veelzijdig aanbod
de niet-westerse kunstuitingen niet systema-tisch als
'minder' of 'primitief' beschouwd in vergelijking met de
wes-terse?
Ingewikkelder is het
intercultureel maken van productieve kunstzinni-ge
werkvormen. Wanneer je van kinderen vraagt om zich
persoonlijk, crea-tief, authentiek of origineel uit te
drukken, ga je uit van een bepaald (westers) mensbeeld. De
mens is daarin een autonoom indivi-du, in staat om zelf
keuzes te maken en zich te ontwor-stelen aan aards-heid en
bepaaldheid. Sinds het eind van de vorige eeuw is in
West-Europa boven-dien de opvatting ontstaan dat kinderen
spontaner, ongecom-pliceer-der en vrijer zijn dan
volwassenen, en dat in het onder-wijs die eigenheid van
kinde-ren geres-pecteerd en uitgebuit moet worden. Deze
visie vormt de basis van de term 'vrije expressie' die rond
1950 in zwang raakte. De beeldende vakken kregen de naam
'expressievak-ken', en waren er niet langer op gericht
kinderen te leren tekenen, maar ze te laten tekenen;
begeleiding werd eigenlijk niet nodig geacht. Tien jaar
later was het 'leren' echter alweer terug en veranderde de
'vrije expressie' in 'kunstzin-nige vor-ming'. Daarin staat
de eigenheid van kinderen nog steeds cen-traal, maar kan hen
via doelgerichte methodieken geleerd worden hoe ze die tot
uit-drukking kunnen brengen. Passen deze visies in een
interculturele kunstzinnige vormingspraktijk? En daarnaast:
passen ze bij hedendaagse multiculturele
schoolklassen?
Kinderen in
multicultureel Nederland
De schematische tweedeling
in westers en niet-wes-ters -brengt het gevaar met zich mee
dat kinderen uit etnische --minderheidsgroepen simpelweg
gezien worden als vertegen-woordigers van de cultuur van hun
ouders of herkomstland. De er-varingen van leerkrachten met
etnisch gemengde groepen leveren een ander beeld op. Het is
zeker niet waar, dat alle Turkse en Marokkaanse kinderen in
Nederland leven met een verbod op poppetjes tekenen, dat
alle Suri-naamse kinderen thuis de pan uit swingen of -dat
Chinese ouders nooit belangstel-ling hebben voor de eerste
krab-bels van hun peuters. En het is evenmin waar, dat in
etnisch gemengde groepen niet succesvol met bestaan-de
kunstzinnige werkvormen gewerkt kan worden.
Er is nog weinig
systema-tisch onderzoek verricht naar de rol die de
etni-sche afkomst van kinderen speelt bij hun deelname aan
kunstzinni-ge activiteiten. Er bestaan wel veel hypothesen
en vermoe-dens over. Werkend met kunstzinnige vorming in de
klas krijg ik soms het vermoeden, dat kinderen uit sommige
etnische groepen thuis nooit tekenen of lezen. Of het
vermoe-den, dat op school gemaakte teke-nin-gen of poppen
door islamiti-sche kinderen nooit mee naar huis genomen
worden, omdat ouders ze niet waarde-ren. Ik krijg soms de
indruk dat kinderen van allochtone afkomst in grote
verle-gen-heid raken als ik ze vraag naar hun eigen gevoel
of bele-ving van iets. Of dat ze er extra op gespitst zijn
om hun kleren niet vuil te maken bij het werken met
druk-technieken.
Maar ook ontdek ik soms dat
Turkse kinderen thuis afwis-selend naar Madonna en naar
Turkse volks-mu-ziek luisteren, of vaker nog alleen maar
naar Madonna. Dat islamitische kinderen soms thuis een
enorme voor-raad kleur-krijtjes hebben. Dat witte
Nederlandse kinderen vaak naar piano- of balletles gaan en
daar een behoorlijk technisch gerichte training krijgen. Dat
sommige Marok-kaanse kinderen thuis trommels bespelen of van
zussen en tantes traditionele dansen leren, terwijl ze ook
de halve dag voor MTV hangen en de daar uitgevoerde dans met
vriendin-netjes imiteren.
Tenslotte heb ik tussen
witte Nederlandse kinde-ren onderling altijd zoveel
ver-schillen gezien, dat ook over hen geen een-duidig beeld
te geven valt.
Als er al in het algemeen
iets te zeggen is over de relatie tussen etniciteit en
kunstzinnige vorming, dan is het misschien dit: kinderen uit
etnische minderheids-groepen in Nederland zijn
waar-schijnlijk beter in staat in verschillende culturele
contexten te functioneren dan Nederlandse kinderen op
'witte' scholen. Ze moeten wel! De bruiloft van een
Marokkaanse nicht, waar absoluut niet door mannen en vrouwen
gezamenlijk gedanst mag worden, kan even belangrijk of
onvermijdelijk voor een Marokkaans kind zijn als het
schoolfeest de dag daarna, waar jongens en meisjes elkaar op
de dansvloer in de armen sluiten. In meer of mindere mate
krijgen kinderen uit etnische minder-heidsgroepen zo
allemaal te maken met ver-schillen tussen de hen omringen-de
westerse cultuur en de cultuur van hun ouders of andere
familieleden. Die verschil-len kunnen spanning oproe-pen,
maar ook leiden tot nieuwe uitdrukkings-moge-lijkhe-den.
Kinderen zouden op school de ruimte en de ondersteuning
moeten krijgen, om te zoeken naar uitdrukkingswijzen die op
elk moment in hun ontwikke-ling het beste bij ze
passen.
Naar mijn mening kan
interculturele kunstzin-nige vorming niet anders dan
experimente-rend te werk gaan in de span-ningsvelden tussen
elemen-ten uit verschillende culturen. Er is geen reden om
te stoppen met 'zelfex-pressie' bij kinderen uit etnische
minderheids-groepen. Er is wel reden om speciaal oog te
hebben voor de effecten daarvan op deze kinderen en om
werkvormen eventueel aan te passen of aan te vullen. En om
daarnaast alle kinderen systema-tisch te confronteren met
kunstui-tingen en -technie-ken uit niet-westerse culturen.
Dit laatste zou aansluiting kunnen vinden bij een
tegenwoordig weer toenemende aandacht voor tech-nieken
binnen alle kunstzinnige disciplines.
Etniciteit, folklorisme
en eigen ervaringen
De relatie tussen etnische
afkomst en deelname aan kunstzinnige vorming is dus niet
eenduidig. Eigenlijk is ook niet in het algemeen te zeggen,
welke rol etniciteit speelt in het dagelijkse leven van
kinde-ren. Kinderen van Turkse afkomst voelen zich niet de
hele dag door in dezelfde mate Turks, net zomin als witte
Neder-landse kinderen zich voortdu-rend Neder-lands voelen.
Eerder voelen ze zich steeds anders: klein, groot, jongen of
meisje, ongelukkig, stoer of sexy. Ze kunnen erg trots zijn
op hun Turkse afkomst, of ze kunnen er niks mee hebben, of
alleen maar met een heel klein stukje ervan. Dat hangt af
van de omstandighe-den.
Als leerkracht kan je
kinderen dus niet zomaar, op elk moment, op hun
veronderstelde etni-sche identiteit aanspreken. Het kan
helemaal verkeerd uitpakken als je een Suri-naams kind een
trommel in de handen duwt met de opdracht 'hier, trommel
eens op zijn Surinaams'. Of om ervan uit te gaan dat
kinderen van Ghanese afkomst in je klas veel kunnen
vertellen naar aanleiding van het kijken naar een Afrikaanse
film. Ze kunnen woedend of onzeker worden, omdat ze er niets
mee te maken willen hebben of er gewoon niets van af weten.
Maar voor hetzelfde geld zie je ze op een ongekende manier
opbloeien, omdat ze iets herkennen en ineens 'deskundig'
zijn.
De interculturele aanpak
heeft op scholen lange tijd vooral bestaan uit het
organiseren van landenprojecten en Turkse, Marokkaanse of
Hindoe-staanse feesten, rijkelijk voorzien van exotische
hapjes, dansen en mu-ziek. Dit om kinderen uit de
verschillende etnische groepen tegemoet te komen.
Het is inmiddels afgedaan
als 'folklorisme': de verwerpelijke poging om hedendaagse,
Nederlandse kinderen vast te pinnen op enkele kleurrijke
kenmerken van een land waar ze vaak nooit geweest
zijn.
Terecht, hoewel de kritiek
naar mijn smaak te weinig recht doet aan het overduidelijke
plezier dat kinderen desondanks aan dit soort 'folklore'
kunnen beleven.
Een alternatief voor het
folklorisme kan liggen in het centraal stellen van de
individuele, per-soonlijke ervaringen van kinderen, waarbij
extra aandacht geschonken wordt aan de steeds andere wijze
waarop deze ervaringen door hun etnische achtergrond worden
beïnvloed. Zeker in kunstzinnige vorming, waarbij
steeds gezocht wordt naar eigen, authentie-ke wijzen van
uitdrukking, is het belangrijk dat leer-krachten leren hoe
ze die aandacht kunnen geven zonder te dwingen of te
stigmatiseren.
Een ander alternatief ligt
in serieuze aandacht voor niet-wes-terse kunstvormen, door
deze in hun hedendaagse verschijningsvormen te presenteren
en te bestuderen, en door kunstenaars uit meerdere etnische
groepen op te nemen in de instellingen voor kunstzinnige
vorming.
Musea, concertzalen en
theaters
Op de meeste scholen is het
gebruikelijk kinderen kennis te laten maken met originele
kunstwerken door museumbezoek en het bijwonen van concerten
en toneelvoorstellingen. Hoewel het hier en daar begint te
veranderen, is de kunst in musea grotendeels westers, en
het-zelfde geldt voor wat er op de Nederlandse podia te zien
en te horen is. Niet-westerse kunst vind je voornamelijk in
volkenkundige musea of op speciale multiculturele of
folkloristische festivals. De kunstuitingen staan daar
bovendien meestal niet op zichzelf, maar dienen bredere
maatschappelijke doelstel-lingen, zoals informatie over de
leef-wijzen van niet-westerse volkeren, of verbetering van
de positie van etnische minderhe-den.
Dit weerspiegelt de &endash;
steeds veranderende &endash; verhou-dingen tussen
'autoch-tone' en `allochto-ne' groepen, maar is ook een
gevolg van de andere plaats die kunst inneemt in veel
niet-westerse culturen. Kunstuitingen hebben daar vaak een
sociale functie, een functie die wegvalt in de kille
museum-zaal of op het afstan-delijke, fel uitgelichte
westerse podium. Een lezing of informatieboekje erbij geven
verandert daar maar weinig aan; het maakt de kunstbele-ving
misschien eerder vervelend educatief.
Aan de andere kant is er wel
iets voor te zeggen om niet-westerse kunst in musea en
theaters te brengen. Het kan niet-westerse kunst losmaken
uit de antropologische sfeer en de status van 'echte kunst'
geven. Het brengt bovendien een breder publiek in aanraking
met verschillende culturen. Misschien maakt het zelfs de
sfeer van professionele kunst toegankelijker voor leken en
amateurs. Bij een concert- of museumbezoek de gedachte
krijgen dat je dat zelf ook wilt en kunt, kan een mooie
doel-stelling zijn voor recep-tieve kunstzinnige vorming in
het onderwijs.
Het zou goed zijn als het
aanbod van kunstwer-ken multicultureler werd. Met kinderen
kijken naar zeventiende-eeuwse Nederlandse mees-ters, maar
ook naar Chinese aquarellen of Afrikaanse beelden; naar de
Matthaeus Passion gaan en ook naar een raï-concert; het
Zwanenmeer zien en ook een optreden van Ghanese dansers; een
toneelstuk van Pinter en ook een Indonesi-sche
wayang-voorstelling. Misschien ook allochtone moderne
kunstenaars de klas in halen. En dan zelf aan het
schilderen, musiceren, dansen of toneelspelen
slaan...
Voor leerkrachten die dit
willen, is er veel werk te doen. Het zal ten eerste niet
gemakkelijk zijn om zo'n multicultureel aanbod praktisch te
realiseren. Ten tweede vereist het een hoop nieuwe
kennisverwerving. En ten derde is niet van tevoren te
zeggen, hoe leerlingen uit verschil-lende etnische groepen
en milieus op een dergelijk aanbod zullen reageren. Kunst
roept emoties op. Leerkrachten en docenten zullen te maken
krijgen met het hele scala van herkenning, nieuwsgierigheid
en enthousiasme tot desinteresse, weer-stand en woede. Een
concert van Turkse volksmuziek kan een hele groep Turkse
kinderen in vijandige kampen verdelen, omdat sommige
kinderen zich er wel, andere zich er niet mee wensen te
identifi-ceren. Nederlandse ouders kunnen bezwaar maken
tegen zon aanpak, 'omdat de school toch al zo Turks is'. Het
vereist tact, openheid en inventivi-teit, om zulke
conflicten te voorkomen.
3.3 Samenvattend
Zelf maken en doen, kunst
bekijken of beluisteren, en denken en praten over kunst. Dat
hoort bij kunstzinnige vorming. Accenten kunnen steeds
ergens anders liggen. Voor de (toekomstige) leerkracht
bestaan er vooralsnog weinig concrete handvatten om lessen
kunstzinnige vorming een interculturele invulling te geven.
Ik heb in dit hoofdstuk een aantal problemen besproken en
projecten uit een zestal kunstzinnige disciplines laten zien
waarin interculturele uitgangspunten en doelstellingen
centraal staan. Hieronder herhaal ik kort de belangrijkste
aanwijzingen.
De doelen van kunstzinnige
vorming zijn soms instrumenteel, dat wil zeggen dat ze
gezien worden als middelen tot het bereiken van een algemeen
vormingsdoel. Soms zijn ze intrinsiek: ze blijven binnen het
betreffende kunstzinnige vakgebied. Bij interculture-le
kunstzinnige vorming vind je beide soorten doelen,
afhankelijk van de invalshoek. Waar het gaat om persoonlijke
houdingen, zoals 'respect hebben voor andere culturen' of
'open staan voor culturele uitwisselingen', zijn de doelen
instrumenteel. Waar het gaat om vaardigheden of
kennisverwerving, zoals het beheersen van uiteenlopende
dansvormen of het onderscheiden van muzikale tradities, zijn
de doelen intrinsiek. Als leerkracht kun je dus steeds twee
vragen bij het lesmateriaal stellen:
- Worden houdingen bij
leerlingen aangeleerd (in actieve, receptieve en/of
reflectieve zin) die hen helpen zelfstandig hun weg te
vinden in een multiculturele samenleving?
- Worden de mogelijkheden
voldoende benut om, naast westerse uitingen, ook
kunstuitingen uit andere culturen binnen die discipline aan
leerlingen voor te leggen?
In een multiculturele
samenleving bestaan er &endash; uiteraard &endash;
verschillen in de waardering en plaats van kunst. Westerse
kunstopvattingen staan vaak haaks op kunstopvattingen uit
niet-westerse culturen, maar ook binnen culturen bestaat
geen overeenstemming over de functies van kunst. Dit wil
echter niet zeggen dat er geen uitwisseling en vermenging
van kunstvormen kan plaatsvinden. Als leer-kracht kun je
proberen antwoorden op de volgende vragen te formuleren, de
antwoor-den zullen per kunstdiscipline
verschillen:
- Welke uitgangspunten
&endash; wat betreft de functie van kunst &endash; liggen
ten grondslag aan het materiaal? Zijn deze typisch westers
te noemen, waardoor leerlingen afkomstig uit andere culturen
wellicht in verlegenheid kunnen worden gebracht,
bijvoorbeeld doordat een al te grote nadruk wordt gelegd op
hun vaardigheid zich bijvoorbeeld in literair Nederlands uit
te drukken, goddelijke scheppingen uit te beelden of
persoonlijke gevoe-lens bloot te leggen?
- Welke (technische)
vaardigheden worden via het materiaal gewaardeerd en
aange-leerd? En welke vormen van creativiteit en
originaliteit worden gewaardeerd en gesti-muleerd? Realiseer
je als leerkracht met welk doel je met kunstzinnige vorming
bezig bent, en welk effect je werkvormen hebben op
verschillende leerlingen.
De betekenis van etniciteit
voor het dagelijks leven ligt niet vast, maar is
veranderlijk en beweeglijk. Een intercultureel kunstzinnig
aanbod moet daarmee rekening houden en dus zeer gevarieerd
van karakter zijn. De kunst is om de multi-etnische
samenstelling van de schoolklas en van Nederland als
vanzelfsprekend in het aanbod tot uitdrukking te laten
komen, zonder dat welke leerling dan ook op grond van
zijn/haar etnicteit in een hokje wordt geplaatst. Een paar
basisvragen:
- Krijgen alle leerlingen
via het materiaal ruimte &endash; en begeleiding &endash; om
te zoeken naar uitdrukkingswijzen die het beste bij hun
persoonlijke ontwikkeling passen?
- Welke opvattingen heb je
als leerkracht omtrent de etnische achtergronden van jouw
leerlingen? In hoeverre zijn deze gebaseerd op de
persoonlijke mededelingen van de leerling zelf? Hoe kun je,
via het kunstzinnig aanbod, zorgen dat leerlingen zelf de
kans benutten om hun culturele achtergrond tot uitdrukking
te brengen? Laat je ze hierin vrij?
In bestaande projecten op
het gebied van interculturele kunstzinnige vorming zijn
uiteenlopende invullingen van het interculturele aspect te
vinden. Vier benaderingen worden onderscheiden:
- Een niet-westerse
cultuuruiting wordt onder de loep genomen. Streef ernaar om
deze zoveel mogelijk binnen haar culturele context en
functie te plaatsen, anders kunnen deze werkvormen in
'folklore' blijven steken.
- Niet-westerse of
allochtone kunstenaars en kunstwerken worden aan de westerse
en autochtone toegevoegd. Ideaal zou zijn als niet alleen
gestreefd wordt naar een aanvul-ling, maar ook naar een
uitwisseling tussen niet-westerse en westerse kunstvormen.
Als leerkracht zul je kennis over meerdere culturen moeten
verwerven. Ook kun je gebruik maken van musea en podia waar
diversiteit tot uiting komt.
- Universele thema's worden
vanuit verschillende culturele invalshoeken bekeken.
Persoonlijke belevingen zoals eenzaamheid, liefde, geluk en
verdriet, maar ook familie, conflict, werk en vriendschap
kennen in elke cultuur en elke discipline hun
uitingsvor-men. Om deze aanpak goed tot zijn recht te laten
komen moet veel culturele kennis door de leerkracht en/of
leerlingen uit de kast worden gehaald. De uiteenlopende
invullingen van de thema's dragen ertoe bij dat zowel
overeenkomsten als verschillen tussen culturele tradities
zichtbaar zijn.
- Hedendaagse Nederlandse
kinderen staan centraal wat betreft hun ervaring met
etnici-teit en multiculturaliteit. Projectmateriaal hierover
bestaat wellicht (nog) niet voor alle kunstzinnige
disciplines, maar de voornaamste bron heb je alvast: de
leerlingen zelf. Als ze hun eigen ervaringen met elkaar
kunnen uitwisselen, zich kunstzinnig kunnen uitdrukken, en
daarin plezier hebben, is al heel wat bereikt.
3.4 Noot
1 Schermel, Atie,
'Intercultureel onder-wijs en kunstzinnige vorming'. In:
Handboek Intercultureel Onderwijs. Alphen a/d Rijn: Samsom,
1989.
top
of page
|