|

|
KiesKleurig
handleiding intercultureel
lesmateriaal
Auteurs: Ineke Mok & Peter Reinsch
©Parel, Utrecht 1999
Overname uit deze uitgave is toegestaan mits onder bronvermelding
|
Kenmerken van
interculturele schoolboeken
In dit
hoofdstuk beschrijven Ineke Mok en Peter Reinsch de
kenmerken van interculturele schoolboeken. Zij beklemtonen
dat het onderscheid tussen 'autochtonen' en 'allochtonen',
of &endash; zoals bij leerlingen regelmatig gebeurt &endash;
tussen 'wij' en 'zij', vaak ongenuanceerd is en polariserend
wer-kt. Tweede belangrijk punt is volgens hen dat in
schoolboeken het beeld naar voren moet komen dat mensen, hoe
verschil-lend ook, gelijkwaardig zijn.
De auteurs
laten zien dat schoolboeken vaak de Europese leefwijze tot
standaard verheffen, door een eenzijdige selectie van
voorbeelden en feiten, waardoor alternatieve visies of
ervaringen onbesproken blijven. Dit gaat meestal ten koste
van mensen uit andere werelddelen. Het lesmateriaal richt
zich dermate op de 'witte Nederlanders' dat allochtone
leerlingen worden uitgesloen. Mok en Reinsch geven tevens
algemene adviezen voor het beoordelen van lesmateriaal,
alleen of met een team; adviezen die balanceren tussen het
gegeven van principiële gelijkwaardigheid enerzijds en
de feitelijke ongelijkheid tussen wit en zwart
anderzijds.
1.1 Herkenbaar en
toegankelijk
Herkenbaar
Interculturele schoolboeken
gaan ervan uit dat leerlingen over uiteenlopende
referentiekaders beschikken. Alle leerlingen zouden hun
culturele achtergrond en leefwijze in de lesstof moeten
kunnen terugvinden, zodat zij zich kunnen identificeren met
de gepresenteerde omstandigheden en personages. Die
identificatiemogelijkheden moeten zo gekozen zijn dat ze
voor leerlingen in alle soorten en maten aantrekkelijk en
uitdagend zijn. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar slechts
weinig lesmateriaal voldoet hieraan. Het is opvallend
hoeveel schoolboeken uit de jaren tachtig en negentig in
woord en beeld uitsluitend mensen van Europese afkomst laten
zien. Het doorsnee schoolboek wekt nog altijd de indruk dat
Nederland voornamelijk bewoond wordt door blanke mensen.
Spannende, actieve rollen zijn bijna uitsluitend weggelegd
voor blanke mannen en jongens uit de
middenklasse.
Een eurocentrisch en
seksistisch perspectief sluit niet alleen leerlingen uit,
het werkt ook normerend en kan een negatief effect hebben op
de leerprestaties.
Advies
Zorg dat de inhoud van het
lesmateriaal &endash; de illustraties, verhalen en
toelichtingen &endash; aansluit bij kennis, ervaringen en
belevingswerelden van alle leerlingen.
Wij en zij
Dat mensen uit verschillende
culturen een plaats hebben in schoolboeken biedt nog geen
garantie voor geslaagd lesmateriaal. Vooral het onderscheid
tussen 'wij' en 'zij' kan voor problemen zorgen.
'Wij' als aanspreekvorm ligt
zeer voor de hand om leerlingen direct bij de les te
betrekken. Woorden als 'wij' en 'ons' kunnen echter
normerend en uitsluitend werken. Onderstaand citaat is hier
een voorbeeld van:
'In onze samenleving kom je
ook mensen tegen die 'anders' zijn. Ze spreken vaak een
andere taal, hebben een andere godsdienst, eten ander
voedsel en dragen een enkele keer ook kleding die wij niet
makkelijk zullen dragen. Kun je een voorbeeld geven van
mensen in Nederland die onze cultuur niet helemaal met ons
delen?' (1) Hier worden slechts bepaalde leerlingen met
'wij' aangesproken, terwijl andere leerlingen buiten 'onze'
cultuur worden geplaatst.
Advies
Zorg dat de aanspreekvorm
'wij' verwijst naar alle leerlingen of naar alle inwoners
van Nederland, ongeacht afkomst, maatschappelijke positie,
gewoonten en interesses. Dit betekent dat er niet wordt
gesproken van 'wij' als het gaat om blanke Nederlanders,
versus 'zij', de etnische minderheden, allochtonen of
medelanders.
Toegankelijk
Veel leerlingen hebben
moeite met het taalgebruik in schoolboeken. Dit geldt niet
alleen in het basisonderwijs, maar ook in het voortgezet
onderwijs. Ook al spreken de meeste allochtone leerlingen
Nederlands, voor velen blijft het een tweede taal. Dit
gegeven wordt niet voldoende onderkend, of wordt gezien als
een probleem dat in het taalonderwijs moet worden
opgelost.
De volgende aspecten kunnen
de toegankelijkheid van het lesmateriaal beïnvloeden:
de frequentie van vaktaal en van abstracte of zeldzame
woorden, de lengte van zinnen of teksten, het gebruik van
ondoorzichtige zinsstructuren of tekstsoorten met een
typisch Nederlands onderwerp.
Met helder en concreet
taalgebruik hoeft helemaal geen simpel en kinderachtig
Nederlands te ontstaan. Het gaat om een herziening van
taalgebruik, waar uiteindelijk alle leerlingen baat bij
hebben.
Voor veel (meertalige)
leerlingen in het basisonderwijs bevat de volgende 'leskern'
bijvoorbeeld teveel nieuwe woorden en begrippen: 'Ons land
is een koninkrijk. Het wordt geregeerd door ministers. De
leden van de Tweede Kamer bespreken het werk van de
ministers. Op Prinsjesdag begint het nieuwe regeringsjaar.'
(2)
Het vraagt nogal wat
inspanning van een leerkracht om in één les
deze 'kern' tot een begrijpelijk geheel te maken. In het
algemeen verdient lesstof die verwerkt is in een verhalende
tekst de voorkeur boven lesstof die aangeboden wordt met
veel extra informatie.
Ook vragen en opdrachten
kunnen problemen opleveren: een veelheid aan open vragen
leidt wellicht eerder tot creatieve en kritische leerlingen,
maar waar beheersing van de stof wordt getoetst, zijn
gesloten vragen doorgaans eenduidiger.
Leerkrachten voor het
taalonderwijs, uiteraard ook leerkrachten eigen taal, kunnen
voor hun collega's een belangrijke adviesfunctie vervullen.
Ze kunnen wellicht beter inschatten welke taalkundige
problemen zich kunnen voordoen en hoe die ondervangen kunnen
worden.
Advies
Kijk of het taalgebruik
afgestemd is op de mogelijkheden en vaardigheden van
leerlingen.
Nederlanders, gewoon
divers
Een intercultureel
schoolboek heeft als uitgangspunt dat de Nederlandse
bevolking bestaat uit mensen die uiteenlopende achtergronden
hebben, mensen die er verschillende gewoonten, politieke
voorkeuren en godsdiensten op na houden, mensen die ook qua
uiterlijk zeer verschillend kunnen zijn. Dergelijke
verschillen hoeven niet noodzakelijk aan groepen allochtonen
gekoppeld te worden of als 'anders' en 'vreemd' te worden
beschouwd. Dat de inwoners van Nederland niet allemaal 'wit'
zijn, is voor de meeste deelnemers in het onderwijs een
vanzelfsprekende zaak. Het is belangrijk een beeld te
schetsen dat aansluit bij de belevingen die leerlingen
hebben.
Soms wordt het
multiculturele aspect in leerboeken aangebracht door een
paragraaf of hoofdstuk 'Medelanders' of 'De islam' toe te
voegen. Die afzondering kan eerder het beeld versterken dat
'medelanders' of 'islamieten' vreemd of eigenaardig zijn en
daarom afzonderlijk aandacht behoeven.
Intercultureel onderwijs
veronderstelt dat mensen, hoe verschillend ook, steeds als
gelijkwaardig naar voren treden. Het onderbrengen en
problematiseren van 'andere' etnische groepen in aparte
paragrafen of hokjes is daarmee in strijd.
Om na te gaan of er sprake
is van onnodige isolatie, kun je bijvoorbeeld de volgende
vragen stellen. Komen gekleurde mensen ook voor als personen
die zowel hoog- als laaggeschoolde arbeid doen, als mensen
die op vakantie gaan, die deelnemen aan uiteenlopende
activiteiten en deel uitmaken van verschillende groepen, die
zich inspannen voor een schoon milieu en toekomstplannen
hebben? Met andere woorden: worden gekleurde mensen ook als
'gewone mensen' in beeld gebracht? Of worden ze alleen
gepresenteerd als dragers van een 'andere'
cultuur?
Advies
Het multiculturele karakter
van de Nederlandse samenleving zou als een
vanzelfsprekendheid zichtbaar en leesbaar moeten zijn.
Allochtonen kunnen weliswaar als uniek en bijzonder worden
gepresenteerd, maar kunnen ook als 'gewone' mensen door het
lesmateriaal heen verschijnen.
Witte gezichten, zwart
geverfd
Een wel heel oppervlakkige
manier om schoolboeken te voorzien van een interculturele
indruk is blanke mensen letterlijk inkleuren. De gezichten
in illustraties worden dan eenvoudig gearceerd. Verder
behoudt het boek een monocultureel perspectief.
Vergelijkbaar is een
uitwerking waarbij Nederlands klinkende namen simpelweg
worden vervangen door niet-Nederlandse namen, bijvoorbeeld
in begeleidende verhalen. Verschillen tussen mensen &endash;
en die zitten natuurlijk niet alleen in naam of kleur
&endash; worden genegeerd of weggepoetst. Irreëel is
het ook te doen alsof er tussen diverse bevolkingsgroepen in
Nederland geen verschillen zouden bestaan, bijvoorbeeld in
sociaal-economische posities. Gelijkwaardigheid is kortom
niet hetzelfde als gelijkheid.
Toch is het heel verfrissend
als nu eens niet uitsluitend blanke mannen als bekleders van
hogere posities worden gepresenteerd, maar ook vrouwen en
gekleurde mannen. Dat is minder stigmatiserend en het biedt
kinderen nastrevenswaardige voorbeeldfiguren. We staan dan
wel voor een dilemma: schetsen we niet een al te
idealistisch beeld, in strijd met de
werkelijkheid?
Dit dilemma van ideaal en
werkelijkheid is een centraal vraagstuk: moeten schoolboeken
benadrukken dat een samenleving zonder racisme en seksisme
mogelijk en wenselijk is, of juist dat de huidige
samenleving door deze processen wordt gekenmerkt? Het
antwoord is natuurlijk: beide. In de volgende paragrafen
zullen wij de problemen van gelijkwaardigheid en gelijkheid
nader bespreken.
Advies
Gelijkwaardigheid houdt in
dat culturele verschillen en sociale ongelijkheden worden
besproken. Schakeringen en problemen, mogelijkheden en
onmogelijkheden van de multiculturele samenleving worden in
het lesmateriaal erkend en verkend.
1.2 De multiculturele
samenleving
Culturen en
verschillen
Men spreekt in Nederland van
een vrouwencultuur, een sportcultuur, een vergadercultuur,
een videocultuur, een plattelandscultuur, enzovoort. Cultuur
is een handig begrip om inzicht te krijgen in
maatschappelijke patronen, maar het blijft oppassen voor
generalisaties. Want onder deze cultuurdeelnemers blijven
altijd verschillen bestaan, in eetgewoonten, kleding,
politieke en kunstzinnige voorkeur, geloofsovertuigingen en
inkomen. Vaak lijken autochtonen wel de mogelijkheid te
hebben om tot verschillende culturen te behoren, terwijl
allochtonen allemaal tot één cultuur behoren,
namelijk 'de andere'.
Mensen verdelen in
cultuurgroepen maakt de wereld misschien overzichtelijk, het
is tegelijk een versimpeling. Hoe polariserend dat kan
uitpakken, blijkt uit het voorbeeld hieronder:
'Helemaal thuis voelen
buitenlanders zich in Nederland waarschijnlijk nooit. De
verschillen tussen hun eigen land en Nederland zijn te
groot. De godsdienst is anders, het weer is anders, de
gewoonten zijn anders, de geschiedenis is anders, de
schoollokalen zijn anders, het eten is anders, de huizen
zijn anders, de schoolboekjes zijn anders, de taal is
anders, vaders en moeders zijn anders, de sporten zijn
anders, kortom: alles is anders.' (3)
Door juist verschillen
tussen buitenlanders en Nederlanders te benadrukken, lijkt
een eeuwige botsing van culturen onontkoombaar. De fixatie
op verschillen kan er ook toe leiden dat culturele
achtergronden zonder meer als bepalend worden gezien voor
iemands plaats in de samenleving.
Advies
Mensen over de hele wereld
hanteren verschillende waarden en normen. Die verschillen
zijn niet exclusief gekoppeld aan Noord of Zuid, aan wij en
zij, aan wit en zwart. Vermijd polarisatie; culturele
verschillen zijn nooit absoluut.
Dé Nederlandse
cultuur bestaat niet
Een intercultureel
schoolboek kan de dichotomie tussen 'ons' en 'anderen'
vermijden door zowel de verschillen tussen autochtonen
onderling te benadrukken als de overeenkomsten met andere
volken en culturen. Vrijwel iedereen maakt er wel eens een
sport van eigenschappen en gewoonten van 'de Nederlander' op
te noemen, maar tegelijkertijd weten we dat dit karikaturen
zijn: nuchterheid, zakelijkheid en een voorliefde voor
erwtensoep, pannenkoeken, klompen, vitrages en tulpen.
Weinig Nederlanders zullen zich in zo'n karikatuur
herkennen. En zo zullen weinig Surinamers, Turken,
Arabieren, joden of Molukkers zich herkennen in de
karikaturen van hún respectievelijke
culturen.
Beter is het accent te
leggen op de mobiliteit en dynamiek van culturen. Culturen
zijn niet statisch. Ze worden door mensen gevormd en
veranderd. Neem muziek: misschien zijn er deskundigen die
het 'typische' van zoiets als 'westerse muziek' kunnen
aangeven, maar dan hebben zij een monsterklus aan het
ontrafelen van de muzieksoorten die elkaar de afgelopen
eeuwen hebben beïnvloed. Wie een vergelijkbare
omschrijving wil leveren voor 'de' Nederlandse cultuur heeft
het niet makkelijker.
Advies
Kijk of culturen als
dynamisch naar voren komen. Culturen beïnvloeden elkaar
voortdurend. Toon ook de overeenkomsten tussen verschillende
culturen en de verschillen binnen de Nederlandse en andere
Europese culturen.
Het
perspectief
Het is op zich niet zo
vreemd dat veel leerboeken getuigen van een eurocentrisch
perspectief; de wereld bekijken vanuit eigen waarden en
normen (etnocentrisme) is in zekere mate eigen aan mensen.
Toch wekt dit perspectief, bijvoorbeeld bij
geschiedschrijving, de indruk dat alleen de wereld van de
Europeanen telt.
Schoolboeken kunnen het
blikveld verruimen door een multicultureel perspectief te
kiezen: de gebeurtenissen worden vanuit verschillende visies
en standpunten belicht. Door 'anderen' aan het woord te
laten wordt hun levenswijze niet alleen inzichtelijker
gemaakt, leerlingen beleven zelf hoe betrekkelijk het woord
'wij' is.
Het is heel verhelderend om
eens een wereldkaart onder ogen te krijgen met
Australië als middelpunt. Of om kennis te maken met een
niet-christelijke jaartelling en met verschillende manieren
om een deling te maken. Om kennis te maken met literatuur
uit andere werelddelen, met Afrikaanse uitvindingen of met
muziek en kunst van buiten Europa en Noord-Amerika. Deze
kennismakingen prikkelen niet alleen de nieuwsgierigheid,
maar kunnen er indirect toe leiden dat leerlingen eenzijdige
presentaties ook als een tekort ervaren.
Jeugdliteratuur verdient
speciale aandacht. Tot ongeveer 1980 waren heldendaden in
Nederlandstalige jeugdliteratuur voorbehouden aan blanke
mannen en jongens. Vrouwen leken vooral volgzaam, evenals
gekleurde romanfiguren. Een simpele analyse van de
rolverdeling kan een eenzijdig beeld snel aan de licht
brengen. Wie komt het meest aan het woord? Wie vindt
verklaringen en oplossingen? Wiens karakter is uitgewerkt en
ontwikkelt zich? En is dit wel terecht gezien de thematiek
die wordt behandeld?
Advies
Controleer of bij de
weergave van gebeurtenissen, situaties en ontwikkelingen die
betrekking hebben op meerdere mensen en culturen, de
verschillende perspectieven van betrokkenen vertegenwoordigd
zijn.
Neutraal
taalgebruik
De woorden waarmee mensen en
groepen worden aangeduid, verdienen bij een beoordeling van
schoolboeken speciale aandacht. Op het oog neutrale woorden
als 'inboorlingen' en 'negers' dragen een geschiedenis van
onderdrukking met zich mee. Die bijklank wordt vaak voelbaar
als je die termen voor Nederlanders gebruikt. Dan blijkt
'inboorling' een andere lading te hebben dan
'oorspronkelijke bewoner' of 'autochtoon'.
Ook aan termen als
'eskimo's', 'bosjesmannen', 'mohammedanen', en
'gastarbeiders' kleven negatieve betekenissen. De volgende
termen getuigen van meer erkenning van identiteit:
respectievelijk 'Inuit', 'Khoi San', 'moslims' en
'buitenlandse werknemers'.
Hetzelfde geldt voor
beschrijvingen van de leefwijze in verschillende culturen.
Omschrijvingen als 'medicijnmannen', het wonen in 'hutjes',
het behoren tot een 'stam' of de invloed van 'bijgeloof'
zijn neerbuigende synoniemen voor woorden als 'artsen',
'huizen', 'etnische groepering' en 'geloof'.
Soms zit de neerbuigende
betekenis slechts in de aanhalingstekens, zoals bij twee
foto's waarbij onder de ene foto (gemaakt in een
niet-westers land) in het bijschrift staat: 'Een "tandarts"
aan het werk'; bij de andere foto (gemaakt in een westers
land) staat: 'Een andere tandarts aan het werk.'
(4)
De juiste aanduiding van
mensen en groepen is sterk afhankelijk van de context. Zo
zal in het taalonderwijs eerder gesproken worden van
'meertaligen' en bij aardrijkskunde van 'migranten'. De
waarde van de terminologie verandert met de tijd, net als
andere aspecten van taal en cultuur.
Advies
Omschrijf volken en hun
culturen in termen die de betrokkenen zelf gebruiken, zonder
kwalificaties die (impliciet) een Europees of westers
cultuurgoed als superieur voorstellen.
Gelijkwaardig
Het klinkt zo
vanzelfsprekend, toch willen we nogmaals benadrukken dat
gelijkwaardigheid een uitgangspunt is voor een
multiculturele samenleving. De mensheid kent geen wezenlijke
verschillen waardoor de ene mens meer of beter is dan de
andere. Schoolboeken kunnen dit uitgangspunt hanteren door
mensen, ongeacht afkomst, rijkdom of armoede, steeds voor te
stellen als individuen die met wisselende motieven actief
inspelen op de wereld om hen heen. Mensen worden door de
geschiedenis gemaakt, maar ze maken zelf ook
geschiedenis.
De rijke schakering aan
mensen en culturen heeft een meerwaarde die in schoolboeken
erkenning moet krijgen. De mensheid en haar culturen leven
juist voort dankzij uitwisselingen, terwijl te vaak de
aandacht is gefixeerd, ook in schoolboeken, op de spanningen
en conflicten die verbonden zijn aan het leven in een
multiculturele samenleving. Te vaak wordt de indruk gewekt
dat grote delen van de wereldbevolking eigenlijk
minderwaardig zijn.
Advies
Het zou goed zijn als mensen
voorgesteld worden als unieke personen met uiteenlopende
gewoontes en interesses die zich, ongeacht hun afkomst,
actief inzetten om een waardig bestaan te
realiseren.
1.3 Geen racistische
beeldvorming
Zwarte problemen en witte
oplossingen
Een onbevangen excursie door
een willekeurige stapel Nederlandse schoolboeken levert een
positief beeld op van de Nederlandse samenleving en haar
positie in de wereld: wij leven in een democratisch land;
door technologisch vernuft en een ondernemende geest heerst
er welvaart; de staat verzorgt ons van de wieg tot het graf;
handel en creativiteit hebben een hoogwaardig cultuurgoed
opgeleverd; en dankzij sociale omgangsvormen, geworteld in
tolerantie, zijn wij ook nog aardig voor elkaar. Onze
samenleving is misschien net niet ideaal, maar ze lijkt in
veel opzichten superieur. Zeker wanneer ze vergeleken wordt
met de omstandigheden in verre landen.
Heerlijk zo'n beeld, en
misschien klopt het voor velen ook wel. Maar hoe sterker de
Nederlandse leefwijze in de schijnwerpers staat, des te meer
schaduwen worden er geworpen over andere leefwijzen. Vooral
de manier waarop mensen in zuidelijke landen leven lijkt een
onuitputtelijke bron van problemen te zijn. De thema's zijn
alom bekend: die mensen zijn arm; we moeten ze helpen op
eigen benen te staan; ze moeten leren zichzelf te verzorgen;
ze moeten beter naar ons luisteren.
De aanwezigheid van
allochtone groeperingen in Nederland en andere Europese
landen wordt op vergelijkbare wijze getypeerd: ze zijn hier
als gasten gekomen om geld te verdienen; nu er niet genoeg
werk is, leven ze van een uitkering of van de misdaad; hun
leefwijze staat op gespannen voet met die van autochtone
Nederlanders; ze willen zich niet aanpassen.
Een dergelijke
aaneenschakeling van vooroordelen zal zich niet gauw in
recente schoolboeken voordoen, maar in oude schoolboeken
zijn ze volop aanwezig.
Advies
De inferioriteit van andere
leefwijzen en samenlevingen wordt vaak gesuggereerd door de
Nederlandse samenleving uitsluitend positief voor te
stellen. Een etnocentrische wijze van redeneren associeert
'andere' mensen en culturen met problemen; een
multicultureel perspectief relateert de oplossingen van
maatschappelijke problemen aan zowel 'zwart' als 'wit'
inzicht, aan zowel 'zwarte' als 'witte'
inspanningen.
Blaming the
victim
Waarom de ene groep in een
samenleving het in bepaalde opzichten beter heeft dan een
andere, is zelden eenduidig aan te geven. Sociale
ongelijkheid is het gevolg van een veelheid van factoren en
processen. Je moet steeds op je hoede zijn bij het lezen van
stellingen waarin slechts enkele factoren als verklaring
worden aangevoerd. Een uitspraak als zou armoede in het
Zuiden te verhelpen zijn als meer mensen de gelegenheid
krijgen onderwijs te volgen, is te simplistisch. Meer
onderwijs is nog geen garantie voor een hoger
welvaartspeil.
We kunnen niet van
schoolboeken verwachten dat ze sociale ongelijkheid in al
haar complexiteit verklaren. We mogen echter wel verwachten
dat ze racistische verklaringen of suggesties in die
richting weerspreken.
Zulke suggesties hebben
gemeen dat de maatschappelijke achterstand de schuld van de
betreffende groep zelf is. Oftewel 'blaming the victim': het
slachtoffer krijgt de schuld. Dit soort redeneringen is ook
in Nederlandse schoolboeken te vinden, bijvoorbeeld bij
besprekingen van armoede in zogeheten ontwikkelingslanden,
door achterstand te behandelen als een gevolg van gebrekkige
inzet of kennis, van 'oude tradities die men niet kan
loslaten', of van 'onvermogen om naar westerse hulpverleners
te luisteren'.
Vergelijkbare uitspraken
komen wij tegen bij besprekingen van de situatie
vanallochtone groeperingen in Nederland. De relatief hoge
werkloosheid onder allochtone groeperingen wordt nogal eens
verklaard met uitspraken als 'ze zijn onvoldoende opgeleid'
of 'ze willen geen Nederlands leren'. Dergelijke
vooroordelen behoren niet in schoolboeken bevestigd te
worden, en waar dit toch gebeurt, is het de
verantwoordelijkheid van leerkrachten om ze te bestrijden.
Voor de ontkrachting van deze vooroordelen hoef je alleen
maar te kijken naar werkloosheidscijfers onder hoog
opgeleide allochtonen, naar de wachtlijsten voor cursussen
in de basiseducatie, of naar onderzoeken over discriminatie
door werkgevers.
Advies
Ga na of individuen en
groeperingen niet bij voorbaat zelf de schuld krijgen van de
sociale of economische problemen die zij
ondervinden.
Stereotypen
Stereotypen omschrijven wij
hier als simplificaties en generalisaties waardoor
persoonlijke eigenschappen aan een volk of bevolkingsgroep
als geheel worden toegeschreven. Soms komen stereotypen in
een directe, makkelijk te herkennen vorm voor: 'Van nature
is de Spanjaard gastvrij', 'De Brazilianen lachen gauw',
'Joden houden van muziek', 'Grieken zijn weemoedig van
aard'.
Vooral als die
generalisaties betrekking hebben op een vermeend
gemeenschappelijk gevoelsleven is er iets verdachts aan de
hand. In recentelijk verschenen schoolboeken treffen wij
gelukkig zulke formuleringen nog maar zelden aan.
Het probleem van
simplificaties is treffend aangegeven door Godfried Bomans
in een (oude) serie leesverhalen voor het basisonderwijs.
Bij een verhaal waarin alledaagse ervaringen van kinderen
met vooroordelen en rassendiscriminatie aan de orde komen,
krijgen leerlingen de volgende aanwijzingen:
'Wees (. . .) op je hoede
als je iemand hoort praten over: de Duitsers hebben dit
gedaan, de joden dat, de Fransen zus en de katholieken zo.
't Gevaar zit in het woordje `de'. Want zie je, de Duitser
is 'n bedenksel. Er bestaat altijd maar één
Duitser. Het is namelijk wel gemakkelijk om op de mensen het
etiket van hun groep te plakken en 't spaart tijd ook. Je
ziet dan iemand voor je die op niemand anders in de hele
wereld lijkt en waarvan er ook maar één
voorradig is. Wie spreekt over de jood is eigenlijk al een
antisemiet, ook als hij er iets aardigs van zegt. Hij moet
praten over één bepaalde jood. Men is
allereerst mens. Dán pas ben je lid van een kerk,
bewoner van een land of heb je een bepaalde
huidskleur.'(5)
De meeste stereotypen zijn
moeilijker te herkennen. Ze behoren tot de vanzelfsprekende
beelden van de omringende wereld die ook de media ons
dagelijks voorschotelen. Mensen die honger lijden staan voor
het beeld van Afrika. Mannen op de knieën in gebed voor
het beeld van moslims. Deze beelden zijn vaak niet eenvoudig
te weerleggen, want ze berusten deels op feiten. Er zijn
relatief veel Afrikanen die honger lijden en het gebed
behoort tot de dagelijkse activiteiten van veel moslims.
Maar deze stereotypen zijn ook eurocentrisch. Een 'doorsnee'
Afrikaan of moslim zou ongetwijfeld andere illustraties
kiezen om zijn of haar dagelijks leven te typeren.
Stereotypen zijn helemaal problematisch als ze weinig
nuancering krijgen door andere beelden en
teksten.
Advies
Vermijd of weerleg
stereotypen, waarbij concrete verschillen in leefwijzen
direct of indirect herleid worden tot vaste
'karaktertrekken' van groepen.
Rassen bestaan
niet
Eén kern van
racistische beeldvorming ligt in de opvatting dat
verschillen tussen volken terug te voeren zijn tot een
verschil in ras. Expliciete racistische verklaringen voor de
sociale verschillen tussen volken verwachten wij vandaag de
dag niet aan te treffen in Nederlandse schoolboeken. De
beladen term 'ras' komt echter nog altijd voor.
Er zijn oneindig veel
manieren om mensen uiterlijk van elkaar te onderscheiden.
Lange tijd hebben wetenschappers gezocht naar methodes om
mensen op grond van hun uiterlijk te classificeren naar
persoonlijkheid en aanleg. Schedelmetingen zijn verricht om
een relatie tussen hersensgrootte en intelligentie aan te
tonen. De hoek tussen neus en voorhoofd werd gemeten om
geboren criminelen te herkennen. Deze onderzoeken bleven
uiteindelijk vruchteloos.
Toch is het idee van 'ras'
een eigen leven gaan leiden. De rassenleer &endash; de
overtuiging dat geestelijke eigenschappen biologisch
vastgelegd zijn en daarmee onveranderlijk zijn in diverse
soorten mensen &endash; ligt ten grondslag aan het
hedendaagse racisme. Het verschil in huidkleur wordt nog
steeds verbonden aan een verschil in sociale positie en
capaciteiten. Waar mensen als anders worden gezien, worden
ze vaak ook anders behandeld.
Er zijn weinig leermiddelen
die de term 'ras' onderuit halen door te laten zien dat een
verdeling van volken op grond van lichaamskenmerken
onhoudbaar is.
In het huidige lesmateriaal
vinden we nog steeds een indeling van mensen naar ras, het
Kaukasische of blanke ras, het negroïde of zwarte ras
en het mongolide of gele ras. Geestelijke eigenschappen
worden zelden direct aan rassen toegeschreven. Toch leiden
die aanduidingen makkelijk tot zulke associaties wanneer
specifieke thema's aan uiterlijk worden gekoppeld. Zoals in
het voorbeeld hieronder, waar huidkleur impliciet in relatie
wordt gebracht met niveaus van ontwikkeling in
Afrika:
'Het midden van Afrika is
totaal anders dan het Noorden. (. . .) Er wonen mensen van
het zwarte ras. De mensen doen vooral aan akkerbouw. Het
zuiden van Afrika is weer anders dan het midden. (. . .) Het
is beter ontwikkeld dan de rest van Afrika. Er wonen zwarte
mensen maar er zijn ook blanken die heel lang geleden uit
Europa zijn gekomen.' (6)
Uit deze tekst zouden veel
leerlingen kunnen afleiden dat de 'betere ontwikkeling' in
het zuiden van Afrika te danken is aan blanken. Eigenlijk is
het alleen zinvol om het begrip 'ras' in lesmateriaal te
introduceren als onderdeel van een kritische bespreking over
racisme.
Advies
Onderscheid van mensen in
rassen hoort niet in schoolboeken thuis. Als de term 'ras'
aan de orde komt, staat deze uitsluitend in verband met
racisme en discriminatie.
Ongelijkheid is een
historisch product
Je kunt moeilijk volhouden
dat de Europese beschaving aan het eind van de Middeleeuwen
in materieel opzicht beter af was dan veel omringende
beschavingen. De Soedanezen in Afrika, de Osmanen in het
Midden-Oosten, de Moguls in India, de Ming in China, de
Shoguns in Japan en de Azteken en Inca's in Amerika kenden
toen machtige dynastieën. Hun economische en militaire
machtsuitbreiding valt grotendeels in het niet bij de wijze
waarop Europeanen de wereld van toen gingen 'ontdekken'. Met
de kolonisering van grote delen van Afrika, Azië en
Amerika hebben Europeanen in de loop van de afgelopen vijf
eeuwen economische en culturele activiteiten in een groot
aantal gebieden ontplooid die tot vandaag de dag als een van
de vele verklaringen gelden voor de sociale ongelijkheid
tussen Europeanen en andere bewoners van de
aarde.
De huidige economische
ongelijkheid tussen mensen en landen is niet een eeuwige
constante en daarmee inherent aan de 'aard' van de mens,
maar juist een gevolg van historische processen, van
machtspolitiek en kolonialisme. Daarin speelde ook racisme
een rol.
Advies
Achterstand van
bevolkingsgroepen, vrouwen en landen is een gevolg van
historische processen en is daarom aan verandering
onderhevig. Kolonialisme, eurocentrisme, seksisme en racisme
maken deel uit van die processen. Laat dit in het
lesmateriaal goed uitkomen.
1.4 Een kritische
bril
De stellingname
Schoolboeken kunnen
leerlingen voorbereiden op het leven in een multiculturele
samenleving, enerzijds door een anti-racistische stelling in
te nemen, anderzijds door leerlingen te stimuleren kritisch
te lezen, te kijken en te oordelen. Het zal averechts werken
als in elke les de kans wordt benut om discriminatie als een
verderfelijk verschijnsel te veroordelen. Het totaal negeren
is echter evenmin zinvol.
Racisme en vooroordelen zijn
alledaagse verschijnselen. Het is zelden gemakkelijk voor
leerlingen te erkennen dat ze zelf met uitingen van racisme
worden geconfronteerd of dat ze zelf vooroordelen hebben en
deze ventileren. Het lesmateriaal kan een opstap bieden om
met die gevoelens om te gaan, op een indirecte, niet
bedreigende manier.
Problematisch is het wanneer
schoolboeken racisme of discriminatie slechts in
dubbelzinnige bewoordingen omschrijven, zoals: 'Mensen van
verschillende culturen doen vaak vervelend tegen elkaar',
'Men heeft bezwaren tegen Surinamers' of 'Sommige
buitenlanders voelen zich gediscrimineerd'.
Soms wordt volstaan met de
vraag aan leerlingen wat discriminatie is en wat zij ervan
vinden. Zulke vaagheden bieden leerlingen noch leerkrachten
voldoende ondersteuning. Daarom is het van belang dat uit
schoolboeken niet alleen erkenning van racisme, maar ook een
veroordeling ervan spreekt. Opdrachten, verhalen en
verslagen van persoonlijke ervaringen kunnen die
veroordeling kenbaar maken.
Dergelijke presentaties
kunnen leerlingen uitnodigen ervaringen uit te wisselen in
de klas. Soms sturen opdrachten daar op aan. Dat zijn niet
de makkelijkste opdrachten, vooral niet als duidelijke
aanwijzingen in de handleiding ontbreken. Het gaat om
emotioneel beladen onderwerpen die ongewild kunnen leiden
tot bloedstollende stiltes of tot polariserende verhoren.
Als vuistregel zou je kunnen stellen: nooit te direct
leerlingen aanspreken, zorg dat je altijd naar een casus of
tekst kan terugkeren.
Je kunt discriminatie ook
behandelen als een verschijnsel waar iedereen mee te maken
krijgt. Als je allerhande vooroordelen over de eigen groep
(jongens, meisjes, VBO-leerlingen) aansnijdt, kunnen
leerlingen zelf voelen wat discriminatie is.
Je kunt ook een historische
invalshoek kiezen. Zo kan het verhaal van Anne Frank dienen
om vooroordelen van toen en die van nu te
bespreken.
Deze benaderingen bieden een
concreet houvast en zijn misschien effectiever dan een
beroep doen op verdraagzaamheid en eerlijkheid door te
verwijzen naar de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens.
Vooroordelen weerleggen is
in didactisch opzicht altijd zeer complex. De publicatie
Feiten tegen vooroordelen van de Anne Frank Stichting kan
steun bieden om hedendaagse misvattingen te corrigeren.
Uiteindelijk is het aan de leerkracht om in te schatten
welke argumenten, en in welke dosering, het beste in een
specifieke groep gebruikt kunnen worden.
Advies
Laat uit het lesmateriaal
een duidelijke afwijzing spreken van racisme en andere
vormen van onderdrukking, zoals kolonialisme en seksisme.
Geef leerlingen de middelen en de motieven om vooroordelen
en stereotypen te herkennen en te weerleggen. Zoek voor
iedere klas de meest geëigende aanpak.
Verzet tegen
onderdrukking
Aandacht voor verzet, juist
van de kant van achtergestelde mensen en volken, kan
tegenwicht bieden tegen de vanzelfsprekendheid van
structurele vormen van onderdrukking. Bij een
anti-racistische stellingname kan aandacht voor verzet van
de kant van de directe slachtoffers motiverend zijn voor de
leerlingen: verandering is mogelijk. Bovendien maken
leerlingen dan kennis met alternatieve
zienswijzen.
Van leerkrachten vraagt deze
invalshoek extra werk. In schoolboeken is over het algemeen
weinig aandacht voor het historische verzet tegen racisme,
slavernij en kolonialisme. Door te zwijgen over verzet of
door mensen alleen af te beelden als slachtoffer ontneem je
hen iedere waardigheid. Wrang is bijvoorbeeld het zwijgen
over het verzet van joden voor en tijdens de Tweede
Wereldoorlog. Als leerlingen niets weten van de opstand in
het getto van Warschau, van het verzet in Sobibor, van
ondergronds joods verzet in heel Europa, dan moet wel een
beeld blijven hangen van mensen die zich gedwee lieten
vermoorden. Dat staat in schril contrast met de aandacht
voor het verzet van andere, niet-joodse,
Nederlanders.
Advies
Verzet tegen anti-semitisme
en andere vormen van structurele onderdrukking, juist van de
betrokkenen zelf, kan ter sprake komen op een wijze die de
waardigheid van de betrokkenen onderschrijft.
Aanzet tot kritisch lezen
en kijken
Een mooi resultaat van
intercultureel onderwijs zou zijn als leerlingen zelf
vooroordelen en eenzijdige visies in teksten en beelden
herkennen. Docenten kunnen leerlingen wijzen op dubieuze
benaderingen en stereotypen in lesmateriaal, maar ook in
beelden die zij via tijdschriften of televisie voorgezet
krijgen. In een schoolboek voor aardrijkskunde staat
bijvoorbeeld in een fotobijschrift: 'Twee vrouwelijke
bouwvakkers in Moskou tijdens hun lunchpauze. In Rusland is
het heel normaal dat vrouwen mannenwerk doen.' (7) Zou een
Russisch schoolboek het werk van deze vrouwen ook zo
kwalificeren?
In de volgende opdracht uit
een maatschappijleerboek worden leerlingen openlijk
aangespoord om hun eigen leermiddelen kritisch te
bekijken
'Een eigen onderzoekje naar
etnocentrisme, vooroordeel, stereotype en discriminatie. De
docent geeft de volgende opgave: Neem een schoolboek dat je
gebruikt bij één van de vreemde talen (Frans,
Duits of Engels). Hoe moet je nu dit boek bekijken? Maak een
verslag met antwoorden op de volgende vragen.
1 Is het boek geschreven
vanuit het standpunt van een multi-0culturele
samenleving?
2 Is er sprake van culturele
verscheidenheid bij de onderwerpkeuze?
3 Tel de illustraties in het
boek en kijk wat ze voorstellen. Staan er ook nzwarte mensen
of kinderen op en welke rol spelen zij? Als je kijkt naar de
afbeeldingen, wat kun je daaruit concluderen? Wie doet
wat?
4 Zijn er verhalen waarin
zwarte en witte leerlingen zich kunnen herkennen?
5 Zie je woorden met een
negatieve betekenis zoals "onbeschaafd, wild,
achtergebleven, onderontwikkeld" als het gaat om
niet-westerse culturen?
6 Let op sterotypen en
karikaturen. Komen zij in het boek voor?'' (8)
Advies
Zorg ervoor dat lesmateriaal
leerlingen stimuleert om teksten en beelden kritisch te
bekijken en verschillende visies te onderzoeken.
1.5 Suggesties voor
schoolteams
Gezamenlijk
In dit hoofdstuk is een
groot aantal adviezen gegeven om leermiddelen te beoordelen.
Misschien maken ze twijfels over de kwaliteit van het
lesmateriaal duidelijk en geven ze inzicht in problemen waar
je als leerkracht in de praktijk mee te maken krijgt: Waarom
haken die Marokkaanse leerlingen juist bij dat
leson-der-deel af? Wat ontbreekt er toch aan de inhoud van
het thema over de multicultu-rele samen-le-ving? Hoe komt
het dat het hoofdstuk over vluchtelingen zo beladen
over-komt? Antwoorden op die vragen kunnen je doen besluiten
om bepaalde teksten over te slaan of ze kritisch met de
leerlingen te bekijken. Je kunt ze ook vervangen of
aanvullen.
Dergelijke beslissingen kan
elke leerkracht afzonderlijk nemen. Uiteraard is de invloed
van een individuele leerkracht op de beeldvorming van
leerlingen beperkt. -Zij worden net zo goed of nog sterker
beïnvloed door de media, door hun ouders of door hun
leeftijdsgenoten. -Een grondige evaluatie van lesmateriaal
vraagt in ieder geval de inzet ----van een heel school-team.
Leerkrachten zouden -regelmatig tijd vrij moeten maken om,
ondanks de tijdsdruk, gezamenlijk met het team of met de
vakgroep het lesmateriaal onder de loep te nemen.
De aandachtspunten hieronder
zijn een aanzet om deze besprekingen vorm te geven. Ze
betreffen niet alleen het lesmateriaal, maar ook de visie op
intercultureel onderwijs. Uiteindelijk gaat het erom dat het
lesmateriaal op een school op elkaar is
afgestemd.
Kijk naar het
team
Om te beginnen kunnen
leerkrachten naar het team zelf kijken. Hoe is bijvoorbeeld
de samenstelling naar sekse, leeftijd en etni-sche
-ach-tergrond? -----Welke deskundigheid is er in huis op het
gebied van intercultureel onderwijs?---- Is er voldoende
onderling vertrouwen om elkaar te bekritiseren? Weten
collega's van elkaar welk lesmateriaal ze gebruiken-? Zijn
leerkrach-ten in eigen taal en cultuur en
leer-ling-be-gelei-ders actief betrok-ken bij de beoordeling
van het lesmateriaal? Is het mogelijk om een
school-bege-leidings-dienst in te schakelen?
Kijk naar de
leerlingen
Belangrijk is om te kijken
welke leerlingen er op school en in de klas zitten, welke
moedertalen ze spreken en welke verschillen er zijn in
culturele en sociaal-eco-nomi-sche achter-grond. Op basis
daarvan weet je welke talen en her-komstlan-den meer
aandacht in de lessen verdienen- en welke literatuur je kunt
aanbieden.
Wat zijn de ver-wachtingen
voor pakweg de komen-de vijf jaar ten aanzien van de
instroom en doorstroom van meertalige en allochtone
leerlingen? Geven die ver-wach-tingen aanleiding om het
school-werkplan en de keuze van leer-midde-len aan te
passen?
Ook onderwijsresultaten
kunnen van invloed zijn op de inhoud van intercultureel
onderwijs-. Vergelijk bijvoorbeeld de toets-re-sul-ta-ten
met stede-lijke en lande-lijke cijfers--. Zijn er
opmer-kelijke ver-schil-len tussen leerlingen gezien hun
etnische achtergrond----? Wat is het be-leid ten aanzien van
leerlingen in een mogelijke achterstandpositie? Krijgen ze
aanvul-lende les-sen, in aparte groepen?
Wie goed naar de leerlingen
kijkt, komt ook te weten hoe het klimaat onder de leerlingen
is, en of er bijvoorbeeld onderling spanningen zijn die met
een verschil in cultuur te maken hebben. Blijven deze
beperkt tot een specifieke groep of komen ze voor bij
verschillende groepen leerlingen? In welke mate komt racisme
voor? Ga onderling na welke teamleden ervaringen hebben met
lessen over racisme en discriminatie en welke werkvormen
effectief zijn gebleken.
Gesprek over
intercultureel onderwijs
Over de doelstellingen van
intercultureel onderwijs zullen de meningen sterk
uiteenlopen. Waar de een vindt dat gelijkwaardige kansen van
leerlingen gebaat zijn bij het wegwerken van problemen met
de Nederlandse taal, zal de ander juist het belang van de
culturele verscheidenheid en de contacten tussen diverse
leerlingen benadrukken. De opvatting zal wellicht ook
verband houden met het aantal allo-chtone leerlingen op de
school.
Team-le-den kunnen niet
alleen van mening verschillen over doelstelling en inhoud
van intercultureel onderwijs, maar ook over de betekenis van
Nederland als multiculturele samenleving. Het kan relevant
zijn om de verschillen naast elkaar te zetten en te bezien
welke consequenties die hebben voor het oordeel over het
lesmateriaal. -----
Evaluatie van
leermiddelen
Bovenstaande vragen
beïnvloeden de manier waarop lesmateriaal wordt
besproken in een team of vakgroep. Achterin bieden wij een
checklist aan. Ook de aanbevelingen aan het eind van de
hoofdstukken kunnen een leidraad vormen bij de evaluatie van
leermiddelen, omdat daarin concrete aandachtspunten aan de
orde komen. Ze nodigen bovendien uit om in het team de
leermiddelen kritisch door te nemen, aanpassingen te maken
of aanvullend materiaal op te sporen.
Een bijkomend voordeel van
evaluatie van leermiddelen in team- of vakgroepsverband is
dat men tegelijkertijd kan werken aan een betere afstemming
van de verschillende vakken op elkaar.
1.6 Noten
1 Vragen aan de
Geschiedenis, werkboek 2. Groningen: Wolters Noordhoff,
1985. p.118.
2 Litjens P. en J.
Jongerius, Schoolse Taalvaardigheden in de Zaakvakken.
Enschede: Instituut voor Leerplanontwikkeling, 1990.
p.104.
3 Waarom Daar?, groep
7. Den Bosch: Malmberg, 1e dr. p.25.
4 Een Wereld van
Verschil, Aardrijkskunde voor de basisschool, Den Bosch:
Malmberg deel 2,1989, p.49.
5 Pim, Frits en Ida,
deel 8. Zeist: Dijkstra's Uitgeverij, 24e dr.
p.133.
6 De Geo Geordend,
deel 2 LM. Amsterdam: Meulenhoff Educatief, 1988.
p.52.
7 Bolwerk, Groningen,
Wolters-Noordhoff, deel 2, 1987, p. 144.
8 De Multiculturele
Samenleving: Waar Sta Jij?, docentenboek , Amsterdam 1995,
p.15.
top
of page
|