|

|
KiesKleurig
handleiding intercultureel
lesmateriaal
Auteurs: Ineke Mok & Peter Reinsch
©Parel, Utrecht 1999
Overname uit deze uitgave is toegestaan mits onder bronvermelding
|
Taalonderwijs en
jeugdliteratuur
In het
vakgebied taal/lezen op de basisschool gaat het in de eerste
plaats om het aanleren en uitbreiden van taalvaardigheden.
Met behulp van moedertaalonderwijs, onderwijs in het
Nederlands als tweede taal (NT2), technisch en begrijpend
leesonderwijs en het onderwijs in eigen taal en cultuur
(OETC) worden leerlingen taalvaardig gemaakt en voorbereid
op het vervolgonderwijs.
Technische
en inzichtelijke leerdoelen staan voorop. De gekozen
teksten, zinnen en woorden bij lessen en oefeningen moeten
uiteraard aansluiten bij de belevingswereld van de
leerlingen, maar zijn ondergeschikt aan de
leerdoelen.
Die teksten,
woorden en zinnen hebben echter een sterke invloed op de
sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Door de inhoud
ervan krijgen kinderen beelden voorgehouden van zichzelf, de
groep waartoe zij behoren, of anderen in hun omgeving. Ook
als er mensen of situaties worden opgevoerd uit verre
landen, krijgen leerlingen een beeld van hoe de wereld in
elkaar zit en welke posities mensen ten opzichte van elkaar
innemen.
Dit
hoofdstuk behandelt het taalonderwijs vanuit een
multicultureel perspectief en is opgebouwd uit drie
delen.
Allereerst
behandelen Mildred de Baas en Anneke Zielhorst de
beeldvorming in het taalonderwijs op de basisschool. Ze
laten zien hoe leermiddelen bij-dragen aan de beeld-vorming
over allochtonen en de multiculturele samenle-ving. Als
leerkrachten en auteurs door de aangehaalde voorbeelden een
scherper oog krijgen voor de subtiele wijze waarop
vooroordelen in teksten en beelden binnensluipen, dan is de
weg vrij voor alternatieven. Daarom zijn naast de 'missers'
ook voorbeelden opgenomen die kinderen dichter tot elkaar
brengen en mogelijkheden bieden tot positieve beeldvorming
over zichzelf en anderen.
In het
tweede deel richten De Baas en Zielhorst zich samen met Ria
Kwisthout specifiek op het taalonderwijs aan meertalige
leerlingen. Opnieuw laten ze voorbeelden van lesmateriaal
zien dat hun inziens vermeden of juist gekozen zou moeten
worden. Zij bespreken tevens het geïntegreerde
taalonderwijs in multicultureel samengestelde
klassen.
In een
bijdrage van Rieke Evegroen en Isolde Vega wordt de lezer
meegenomen in een zoektocht naar literatuur voor leerlingen
in het basisonderwijs. Het belang van fictie voor het
intercultureel onderwijs wordt vaak onderschat, zo vinden de
auteurs. Zij geven veel voorbeelden om de hiaten te
vullen.
2.1 Beeldvorming in het
taalonderwijs
Oud
lesmateriaal
Al rond 1960 kennen heel wat
scholen in Nederland leerlingen uit andere culturen: uit
Indonesië, Suriname, Aruba en de Nederlandse Antillen,
de Molukken, Spanje, Turkije, Marokko. Dat de basisscholen
al drie decennia multicultureel zijn, is echter pas laat tot
de ontwikkelaars van lesmateriaal doorgedrongen. Tot
minstens 1980 hebben de informatieve teksten en
fantasieverhalen die scholieren tot zich nemen nagenoeg
alleen betrekking op de werkelijkheid van de etnische
Nederlanders. Het witte, westerse cultuurgoed heeft een
monopolie. In illustraties zijn alle mensen op het
schoolplein, in de klas, in het winkelcentrum of op straat
wit.
Onbedoeld roept het
ontbreken van de overige etnische groepen bij leerlingen het
beeld op dat alleen witte mensen en hun ervaringen
interessant genoeg zijn om als voorbeeld in lesmateriaal te
dienen. Wat zwarte mensen doen en denken is kennelijk niet
interessant, niet belangrijk en van geen enkele waarde voor
de samenleving. Dit kan bij witte leerlingen leiden tot een
superioriteitsgevoel ten opzichte van hun zwarte
klasgenoten, of, als ze die niet hebben, ten opzichte van
zwarte mensen in het algemeen. Bij de zwarte leerlingen
wordt een voedingsbodem gelegd voor een negatief zelfbeeld,
een minderwaardigheidsgevoel. De lesinhoud is niet
herkenbaar voor hen en zij kunnen zich niet identificeren
met de wereld uit de leerboeken. Een voorbeeld:
Zoeloekinderen in Afrika
(1)
De les, bestemd voor groep
4, gaat over wonen. Diverse vormen van wonen van mensen en
dieren in Nederland komen aan de orde. De illustraties tonen
alleen witte mensen. Dan volgt er een lesje over wonen
elders in de wereld. Het plaatje toont een primitief
aandoend dorpje. De mensen zijn zwart, lopen half naakt rond
en bouwen zelf huizen van palen en riet. De tekst gaat als
volgt:
'Zoeloekinderen wonen in
Afrika, waar het vaak warm is.
Een Zoeloedorp noemen we een
kraal.
Elk huis is gemaakt van
houten palen en heeft een rieten dak.
De mensen bouwen zelf hun
huizen.'
Op het eerste gezicht is dit
slechts een feitelijke beschrijving van de werkelijkheid.
Toch gebeurt er iets merkwaardigs. Waar in eerdere lesjes
kinderen kennismaken met ver-schillende manieren van wonen
in Nederland, gaat het nu ineens over huizenbouw. Daarbij
komt dat het stereotiepe beeld gebruikt wordt van het
primitieve leven van zwarte mensen.
Het is van belang om te
doorzien wanneer in lesmateriaal de economische achter-stand
van bepaalde volken in relatie wordt ge-bracht met welvaart
hier en nu. Er zijn in de multiculturele samen-leving
voldoende voorbeelden te vinden van manieren van wonen,
waarin overeen-komsten en ver-schillen naar voren kunnen
komen.
Wij adviseren leerkrachten
om boeken van vóór 1980 maar niet meer te
gebruiken. Dat materiaal houdt geen rekening met de
aanwezigheid van meerdere culturen in de klas.
Thema's met een
multiculturele invulling
De methodes die na 1980 zijn
ontwikkeld, bieden vaak wel mogelijkheden voor
interculturele invulling. Veel methodes zijn thematisch
opgebouwd en bieden zo houvast om alle leerlingen bij het
onderwerp te betrekken. Meestal vergt dat van de leerkracht
wel extra werk en inventiviteit.
We laten hier drie
voorbeelden zien van situaties die voor kinderen van alle
culturen herkenbaar zijn en die hen de ruimte bieden vanuit
hun eigen leefwereld te reageren.
Tom en Saïd
(2)
Het onderwerp is wonen.
Eerst kunnen alle leerlingen uit groep 5 vertellen hoe hun
eigen huis eruit ziet. Er wordt ook gevraagd of kinderen
elders hebben gewoond, bijvoorbeeld in een dorp, in de stad
of in een ander land. De overgang van dichtbij naar verder
weg verloopt hier vloei-end.
Een illustratie toont
verschillende delen van een interieur, zonder mensen. Er
volgen drie teksten over wat er in een meubelzaak allemaal
te koop is. Dan volgt een tekst met vragen over het huis van
Saïd. Saïd en Tom komen elkaar tegen en Saïd
neemt Tom mee naar huis. Een deel van de tekst gaat als
volgt:
'Tom kijkt rond. De kamer is
niet groot, maar erg gezellig. Er hangen mooie gekleurde
doeken en lichtjes aan de muur. Op een laag tafeltje staan
heel kleine kopjes.
De vier zusjes van Saïd
kijken naar Tom en de mooie rode rozen. 'Die zijn voor mijn
moeder,' zegt Tom. 'Omdat ze morgen jarig is.'
Even verderop: 'Tom kijkt de
kamer nog eens rond. Er staat niet één stoel.
Alleen maar kussens op de grond en een lage bank.' (. . .)
'Tom kijkt naar de moeder van Saïd. Ze schenkt thee in
de kleine kopjes.'
Bij deze tekst hoort een
tekening met de volgende opdracht:
'Kijk! Hier is een plaatje
van de kamer. Maar het plaatje is niet helemaal goed
getekend. Welke dingen kloppen niet met het verhaal? Het
zijn er vier. Schrijf het op.'
In dit verhaal is duidelijk
dat Tom en Saïd van verschil-lende etnische afkomst
zijn. Maar zij wonen allebei hier en het verhaal speelt zich
nu af, waar-door het voor alle kinderen in de klas
herkenbaar is. De twee kinderen kennen elkaar en er is
sprake van een positieve relatie.
In het huis van Saïd
komt een etnisch specifieke situatie aan de orde. Tom
constateert verschillen tussen zijn eigen huis en dat van
Saïd. De tekst geeft een reëel beeld van een
persoon van een bepaalde etnische groep, zonder te
generaliseren. De overeenkomsten en verschil-len in het
verhaal, kunnen aanleiding zijn om verder te praten over
eigen ervaringen van de kinderen. Op de illustraties is de
gezinssituatie van Saïd afgebeeld; moeder schenkt thee
en de zusjes zitten op de kussens en banken. De
multiculturele samenleving is in dit lesje op zo'n manier
gepresenteerd, dat het de afstand tussen kinderen uit
verschillende culturen helpt verkleinen.
Zinnen, lesjes,
invuloefeningen
De tendens om zwarte
kinderen te associëren met arme mensen ver weg zit vaak
ook in materiaal dat helemaal niet op een bepaald thema
betrekking heeft. In voorbeeldzinnen, in woordenschatlesjes
en in invuloefeningen.
De President en de
Generaal (3)
In een passage over 'De
President en de Generaal' gaat het om de schuingedrukte
moeilijke woorden 'uitgangspunt' en 'ginds'. Toevallig wordt
'ginds' weer aan
armoede gekoppeld. We
treffen even verderop een zin die bedoeld is om de juiste
werkwoordsvorm te leren gebruiken: 'Een zwarte boer, ver weg
met weinig inkomsten'.
In de handleiding wordt
uitsluitend de nadruk gelegd op taaltechnische
vaardig-he-den die kinderen in dit leerjaar moeten leren. De
inhoud is slechts een voorbeeld, niet essentieel.
De impliciete bood-schap
luidt: Ver weg ... zwarte mensen ... armoede. Witte en
zwarte kinderen krijgen sluipenderwijs ingeprent dat ze
mijlenver uit elkaar liggen.
Natuurlijk is de leerkracht
in de eerste plaats gericht op de taaltechnische kant van de
les. Bovendien zijn er veel oefenvoorbeelden nodig om de
leerlingen de stof te doen begrijpen.
De alerte leerkracht heeft
echter ook aandacht voor het soort zinnen en woorden dat
leerlingen onder ogen krijgen en voor het effect op de
beeldvorming. De leerkracht kan losse woordjes of zinnen
weglaten of vervangen door andere.
Men kan echter ook tijdens
de behandeling van de woorden of zinnen even pas op de
plaats maken en de zaak samen met de leerlingen kritisch
beschouwen. De leerkracht kan vragen: Is 'ginds' altijd
armoede? Kun je nog iets anders over 'ginds'
vertellen?
Een eigen, positieve
invulling van 'ginds' door de leerkracht zelf kan de
leerlingen op een ander spoor zetten.
We laten twee fragmenten
zien waarin dichtbij (westers) en ver weg (niet-westers) wel
degelijk naast elkaar gebruikt worden, zij het op een
positieve manier.
Altijd en overal
(4)
'De dans is al eeuwenoud.
Dat kun je bijvoorbeeld zien door afbeeldingen op oude vazen
en schilderijen te bekijken. (. . .) Overal ter wereld, bij
elk volk en in elke cultuur wordt er gedanst. In Nederland
wordt vaak alleen nog maar gedanst om plezier te maken, maar
in andere landen wordt er ook gedanst om te laten zien dat
je verdrietig bent of boos of bang. Zoals in Afrika en in
Latijns-Amerika. Daar dansen de mensen eigenlijk bij elke
gelegenheid. Als er een kind wordt geboren. Als kinderen
volwassen worden. Als mensen trouwen. Als een familielid
begraven wordt. Als de boeren zaaien en oogsten. Dansen is
een heel belangrijk deel van het leven. (. . .)
Een ander voorbeeld kun je
vinden in vluchtelingenkampen in Thailand. Doordat het
oorlog was in Cambodja, vluchtten veel Cambodjanen naar het
buurland Thailand. In de vluchtelingenkampen worden
voorstellingen gegeven door dansgroepen. Die dansgroepen
willen met hun dansen vertellen over het dagelijks leven in
Cambodja. Ze hebben de bedoeling om de kinderen niet te
laten vergeten hoe dat land eruit zag.'
Talen in Nederland
(5)
In deze les doen leerlingen
een onderzoek naar de talen die gesproken worden in
verschillende Nederlandse regio's en in de klas. Leerlingen
mogen elkaar vragen stellen over de verschillende
talen.
Daarna worden enkele teksten
gelezen. Die teksten bevatten brieven van negen kinderen die
in Nederland geboren zijn. Zij schrijven daarin over het
land waar een van hun ouders geboren is.
De beschrijvingen van de
negen landen (Nederland, Suriname, Antillen, Marokko,
Turkije, Indonesië, China, Italië en Spanje) zijn
objectief en feitelijk. Ze roepen geen negatieve beelden op.
De briefschrijvers spreken naast het Nederlands thuis nog
een andere lands- of regiotaal.
Ter
afsluiting
Voor systematische
achterstelling en racisme is in de samenleving nog te weinig
oog. Waarom mensen uit andere landen hier naartoe zijn
gekomen, dat er geen ruimte voor verschil-lende talen is in
het onderwijs en het maatschappelijk ver-keer, hoe afwijzing
van verschillende culturele en religieuze waarden van mensen
tot isolatie en eenzaamheid leidt, hoe het komt dat mensen
systematisch in oude stadswijken terecht komen, het zijn
onderwerpen die zelden open, eerlijk en zonder
vooringenomenheid besproken worden.
In het onderwijs hanteert
men nogal eens de redenering dat 'kinde-ren niet racis-tisch
zijn en je ze niet op verkeerde ideeën moet brengen'.
Ons inziens is het juist de taak van opvoeders om wel
gericht aandacht te besteden aan racisme.
Auteurs en ontwikkelaars van
leerboeken en -methodes zijn voor het overgrote deel van
wit-westerse herkomst. Zij schrij-ven over en niet vanuit de
culturele achtergrond in kwestie.
Als mensen uit diverse
etnische groepen meer zouden participeren bij het
ont-wikkelen van methodes, materialen en lespakketten, of
als hen gevraagd werd wat zij van het materiaal vinden, dan
zou er geleidelijk aan een gelijkwaardiger beeld van diverse
etnische groepen in de samenle-ving kunnen
ontstaan.
Het blijft uiteindelijk
altijd belangrijk om je lesmateriaal kritisch te bekijken.
Hieronder zetten we de belangrijkste aanwijzingen uit dit
hoofdstuk onder elkaar.
Taal- en begrijpend
leesonderwijs leert kinderen meer dan alleen pure
taalvaardigheden. Met verhalen en gedichten ontwikkelen
kinderen niet alleen hun taalvaardigheid, maar de
ogenschijnlijk onschuldige fantasieverhalen en rijmpjes
zullen ook invloed hebben op hun sociaal-emotionele vorming.
Zij zullen de inhoud op zichzelf betrekken en zich aan de
hand van de leeslesjes een beeld vormen van 'andere'
mensen.
Leerkrachten dienen
zorgvuldig om te gaan met hun lesmateriaal en zich vooraf de
vraag te stellen of de leeslesjes, de verhaaltjes en
gedichtjes, niet onbedoeld stereotypen bevestigen. Om die
reden zijn taal- en leesboeken die voor 1980 zijn
verschenen, bijna alle onbruikbaar. Ze spelen nauwelijks in
op de actuele multi-etnische situatie in Nederland. Ze gaan
niet in op culturele overeenkomsten en verschillen tussen
leerlingen hier en nu. Van volken en landen buiten Nederland
bieden ze alleen stereotype beelden. Verder is de
vakdidactiek van het taal- en leesonderwijs in deze methodes
sterk verouderd.
Kies een methode die voor
alle leerlingen positieve herkenbare situaties biedt en die
hen uitnodigt vanuit hun eigen bele-vingswereld te reageren.
De centrale vraag is of de methode zich richt op alle
leerlingen in een multiculturele en meertalige
klas.
Bekijk de woordenlijsten aan
het begin van een themales en zorg voor aanvullingen. Als
daarin kritische verwijzingen naar een multiculturele
samenleving ontbreken, stimuleer dan de leerlingen zelf de
aanvullingen te geven. Maak bijvoorbeeld gebruik van een
woordveld (zie par. 2.2).
Ga na, ook bij zogenaamde
interculturele methodes, hoe mensen van uiteenlopende
(etnische) groeperingen in beeld komen. Komen zij in beeld
als 'anders' of vreemd, of zijn ze 'gewoon' en kunnen alle
leerlingen zich in hen verplaatsen? Komen ze in
etnisch-gemengde of etnisch-specifieke situaties
voor?
Kinderen zijn vaak zeer
emotioneel betrokken bij honger en armoede in de wereld.
Vaak werken schoolboeken de associatie tussen armoede,
zielig en donkere mensen in de hand doordat ze verhaaltjes
en gedichten baseren op een tegenstelling tussen kinderen in
arme en rijke landen.
Wees ook alert op de inhoud
van zogenaamde fictieve verhalen of verhalen die zich in het
verleden afspelen. Fictie en werkelijkheid lopen makkelijk
door elkaar heen, ook voor de jonge lezers. Ook die teksten
dragen beelden over.
Je kunt stereotiepe teksten
overslaan, je kunt ook aan leerlingen de vraag voorleggen of
het eigenlijk wel klopt wat er staat: zijn alle mensen
'daar' arm; zijn alle mensen 'hier' rijk; is 'daar' wel zo
ver weg en waar is 'daar' precies? En, zijn er ook geen
overeenkomsten denkbaar tussen 'hier' en 'daar'?
Generaliserende opmerkingen over groepen mensen zou je op
die manier steeds kunnen nuanceren.
2.2 Taalonderwijs aan meertalige
leerlingen
Geïntegreerd
taalonderwijs
Gegeven de multiculturele
samenstelling van veel scholen is er vaak sprake van
meertaligheid in een klas. Geïntegreerd taalon-derwijs
is onderwijs waarbij aandacht is voor de verschillende
moedertalen van leerlingen naast de Nederlandse
taal.
Over het algemeen vindt dat
nog weinig plaats. De ver-schillen-de moe-der-ta-len van de
kinderen worden meestal niet betrokken bij de lessen.
Leer-krachten vinden het organi-satorisch nogal lastig om
aan-dacht te geven aan de in hun klas aanwezi-ge- talen. Zij
spreken de talen zelf niet en verliezen voor hun gevoel de
greep op de leerlingen als die in hun moedertaal
communiceren. Daarnaast speelt een etno-centri-sche houding
mee, die er per definitie van uitgaat dat het onderwijs
uitsluitend in het Neder-lands moet plaats-vinden.
Moedertaalmethodes, of die nu oud zijn of nieuw, doen in
wezen precies hetzelfde; zij helpen leerkrach-ten geen stap
verder bij het omgaan met de meertali-gheid in hun klas. Dat
is jammer, want zo wordt een kans gemist om de impliciete
kennis en ervaring van alle kinderen in de klas te benutten.
Voor kinderen die Nederlands als moedertaal hebben ligt de
relatie tussen het taalgebruik binnen en buiten de school en
de daarin opgenomen kennis en ervaringen dicht bij el-kaar.
De moedertaal weglaten betekent het indammen, afsnijden,
negeren van een deel van de ontwikkeling van kinde-ren.
Scholen die incidenteel of structureel een plek geven aan de
verschillende moedertalen in de klas, hebben daar tot nu toe
positieve ervaringen mee. Sommige leerkrachten werken samen
met een OETC-leerkracht (leerkracht Onderwijs Eigen Taal en
Cultuur). Anderen gebruiken les-pak-ketten die (incidenteel)
aandacht besteden aan meertaligheid, zoals Dit zijn wij
waaruit het volgende voorbeeld .
Hoeveel talen spreek jij?
(6)
In het verhaal over Hanan
blijkt dat zij beter Marokkaans-Arabisch spreekt dan
Nederlands. Ook blijkt dat zij een andere taal spreekt dan
Fouad, die ook van Marokkaanse her-komst is. Hiermee wordt
de koppeling gelegd naar de eigen klassesituatie: 'Welke
talen worden er in deze klas allemaal gesproken?' Nadat dit
geïnventariseerd is, worden er groepjes gevormd die
ieder een lijst maken, in twee van de aanwezige talen, van
woorden die handig zijn in de klas of op school.
Bij het samenstellen van de
lijsten wordt gebruik gemaakt van de deskundigheid van de
meertalige kinderen. Woordenboeken worden slechts ter
ondersteuning gebruikt.
Dit betekent dus positieve
aandacht voor de moedertalen van meertalige leerlin-gen.
Kinderen die bij taalactiviteiten zelden een leiding-gevende
rol spelen, zijn nu de deskundigen bij uitstek. Kinde-ren
die uitsluitend het Nederlands beheersen gaan moeite doen om
woorden te vinden en uit te spreken in een voor hen
onbe-kende taal en ervaren hoe moeilijk dat is.
Leerkrachten ervaren dat
leerlingen veel meer in het Nederlands te melden hebben als
ze eerst in hun moedertaal mogen praten of overleggen over
een onderwerp. Opvallend is dat de Nederlandse zinnen
completer zijn, meer wendingen vertonen en creatiever
zijn.
Het is inmid-dels uit
onderzoek bekend dat meerta-lige leerlin-gen bij wie de
moeder-taal dominant is in vergelij-king met de tweede taal,
sneller leren als het onder-wijs aan-sluit bij beide talen.
Er zijn op dit vlak experimen-ten gaande in Nederland met de
bedoeling om scholen en ontwikkelaars van methodes verder te
helpen. In wezen zal er geïntegreerd taalonder-wijs
gerea-li-seerd moeten worden, wil het onderwijs alle
kinde-ren optimale kansen bieden.
Onderwijs in Nederlands
als tweede taal (NT2)
Moedertaalonderwijs is
bedoeld om verdere ontwik-ke-ling van het hanteren van de
Neder-landse taal te realiseren bij kinde-ren die
Neder-lands als moedertaal spreken als zij de basis-school
binnenkomen. De twee grote gebieden waar moedertaalonderwijs
zich op richt zijn taalbe-heersing en
taalbeschouwing.
Bij taalbeheersing gaat het
om luisteren, spreken, lezen, schrijven met het oog op
communicatie en kennisverwerving. Taalbeschouwing richt zich
op de regels en afspraken van de taal (spelling, grammatica,
woordenschatuitbreiding en idioom) die moeten helpen om de
taalbeheersing te verbeteren.
Onderwijs in Nederlands als
tweede taal betekent dat kinderen -op school de Nederlandse
taal moeten verwerven en verder leren, terwijl de
taalontwik-keling tot dan toe in een andere -taal heeft
plaats-gevonden.
Opvallend is dat in de
didactiek voor Nederlands als tweede taal weinig gebruik
wordt gemaakt van de tot dan toe gerealiseerde ontwikkeling
in de eerste taal. Er wordt gekeken naar wat het meertalige
kind mist in het Nederlands en niet naar wat het al beheerst
in de eigen taal.
Scholen kunnen speciale
methodes voor de tweede taal-verwerving aanschaffen, voor
het leren van het Nederlands als tweede taal.
Moedertaalmethodes kunnen
met een aantal aanpas-sin-gen beter ge-schikt gemaakt worden
voor meertalige kinderen. Dit vereist van de leerkracht
wèl bepaalde vaardigheden en inzichten in het proces
van de tweede taalverwerving. Daarnaast is ook de
vaardigheid in het selecteren en opnieuw plannen van de
leerstof uit de verschillende methodes
belangrijk.
Veel leerkrachten weten uit
eigen ervaring vrij goed welke woorden zinvol zijn om aan te
leren en welke minder. Als men deze afweging maakt, zou het
kunnen zijn dat men de reguliere oefeningen achterwege laat
en in plaats daarvan een alter-natief zoekt dat beter
aansluit bij de behoeften van het kind. Relevante woorden
zijn woorden die nodig zijn om te kunnen communiceren over
zaken in de directe omgeving, om gedachten en gevoelens te
kunnen uiten, om te kunnen functioneren in de verschillende
klassenactivi-teiten en om in de toekomst het (zaakvakken-)
onderwijs in de bovenbouw van de basisschool en het
voortgezet onderwijs te kunnen volgen.
In moedertaalmethodes wordt
de betekenis van de woorden vaak niet duidelijk gemaakt.
Door de woorden uit hun context te halen en geïso-leerd
aan te bieden in taallesjes, missen kinderen het inzicht in
de gebruikswaarde en de relaties tussen die woorden en
andere begrippen. Het is effectiever om nieuwe woorden in
een zinvolle context, rondom een bepaald thema aan te
bieden.
Om een thema te introduceren
en voorken-nis te activeren, kan men een woor-den-schat-les
begin-nen door samen een woord-veld te maken. Een
voorbeeld:
koken
wasbak afwassen
kraan KEUKEN eten
pan oven
keukentafel
Bij het aanbieden van nieuwe
woorden moet je er rekening mee houden dat sommige kinderen
thuis net iets andere woorden gebruiken. Zo spreekt een
aantal mensen eerder van een 'gootsteen' dan van een
'wasbak', terwijl Surinamers eerder zullen zeggen dat ze 'de
vaat doen' dan 'afwassen'. Bovendien kunnen de woorden
verschillende associaties oproepen. Deze associaties en
bete-ke-nis-sen worden concepten genoemd. Concepten kunnen
van per-soon tot persoon en van cultuur tot cultuur
verschil-len.
Voor een woord als 'yoghurt'
bestaan verschillen-de con-cep-ten. De meeste Nederlanders
denken aan een toetje, maar in andere culturen wordt vaak
gedacht aan een bijgerecht of aan een saus om bij groente te
serveren. Allochtone kinde-ren kunnen begrip-pen op een heel
andere manier invullen dan autochtone kinderen.
Door het maken van
woordvelden kunnen associaties die ver-schil-lende kinderen
hebben, worden vergeleken en op die manier kan aangesloten
worden bij de ervaringen en de kennis die leerlingen al
hebben. Kinderen van verschillende taalniveaus leren van
elkaar. Het is belangrijk om te beginnen met woordvelden
rondom een bepaald thema, waarbij de kinderen vrij
associëren. Deze activiteit kan dus heel goed met
gemengde niveaugroepen gedaan worden.
Men kan leerlingen bepaalde
strategieën aanle-ren waarmee ze achter de bete-kenis
van woorden kunnen komen. Dit kan- door de context te
verkennen, door samengestelde woorden te ontrafelen of door
illustraties of woordenboeken te gebruiken.
De leerkracht kan zorgen
voor veel foto's en illustraties bij diverse thema's. Hij of
zij kan begrippen uitbeelden en door de leerlingen laten
nadoen. En belangrijk is het woord te gebruiken in een zin
die de betekenis duidelijk maakt.
Bij een woordenschatles in
een methode Nederlands als tweede taal is het doel in eerste
instantie taalbe-heersing; de woorden dienen uiteindelijk
door de kinderen actief beheerst te worden.
In reguliere methodes
Nederlands komen veel schriftelijke oefe-ningen voor,
bijvoorbeeld:
Vul de goede vorm van liggen
of van leggen in:
1 Het penseel ..... op de
tafel. (t.t.)
2 Heb jij dat daar neer
.....?
3 Jaap en Jolanda .....
beiden met een been in het gips.
4 De dirigent ..... zijn
stokjes op zijn lessenaar. (t.t.) (7)
Schriftelijke oefeningen
kosten veel tijd en bieden weinig gelegenheid tot herhaling.
Veel niet-Neder-landstaligen hebben juist behoefte aan
herha-ling, bijvoor-beeld van vaak voorkomende
zinsconstructies, werkwoordsvor-men en
uitdrukkingen.
Het is effectiever om
bepaalde oefeningen mondeling te laten doen. Dit kan door de
oefeningen te kopiëren en op de kopie de antwoorden in
te vullen. Met dit antwoordenblad erbij kunnen de leerlingen
dan twee aan twee mondeling oefenen.
Ook aan de vaak open
stelop-drach-ten zijn veel niet-Nederlandstalige kinderen
nog niet toe. Een open opdracht als 'Schrijf zelf een
verhaaltje over de Noormannen', is gemakkelijk gegeven, maar
moeilijk uit te voeren als je niet zo taalvaardig bent en
niet weet wat Noormannen zijn. Er gaat heel wat oefening aan
vooraf voordat leerlingen hiertoe in staat zijn. De
productieve schriftelijke vaardig-heden moeten stapsgewijs
geoe-fend en uitgebreid worden. Half-open opdrachten met
meer deel-vragen en deelopdrachten zijn in dit verband dus
beter geschikt.
De leerkracht kan zelf ook
een paar woorden in de moedertaal van het kind leren. Door
belangstelling en respect te tonen voor de eigen taal, kan
de leerkracht een bijdrage leveren aan een positief
zelfbeeld van het kind. Opdrachten zoals 'ver-tel eens wat
je in de zomervakantie hebt gedaan', kunnen begin-nende
tweede-taalleerders af en toe in hun eigen taal uitvoe-ren.
Meer gevor-derde medeleerlingen kunnen eventueel als tolk
optreden. Zo kunnen ook kinderen die de Nederlandse taal
(nog) niet beheersen zich thuisvoelen in de groep. De eigen
taal kan ook gebruikt worden in de klas bij het lezen van
tweetalige boeken. Het gaat dan om boeken die zowel een
Nederlandse als bijvoorbeeld een Turkse versie van de tekst
hebben, terwijl de illustraties gelijk zijn. Hierbij kan ook
samengewerkt worden met de OETC-leerkracht.
Omdat dit nogal wat tijd en
energie kost, en niet altijd het gewenste resultaat heeft,
wordt de roep om een geïntegreerde taalmethode steeds
luider. Hierbij gaat het om een methode waarin
NT2-onderdelen en de NT2-didactiek zoda-nig zijn
geïnte-greerd dat aan de taalproblemen van allochtonen
voldoende tegemoet wordt gekomen in het
moedertaalonderwijs.
Ter
afsluiting
De leerkracht moet
prioriteiten durven stellen. Niet-Neder-lands-talige
kinderen moeten in zeer korte tijd op hoog niveau Nederlands
leren. Het is onmogelijk om ze alle nuances van de
Nederlandse taal te leren in zo'n korte tijd. Bekijk daarom
de reguliere methode kritisch: laat open stel-opdrachten en
spellingsoefeningen weg als kinderen hier nog niet aan toe
zijn en doe meer mondelinge oefeningen met zins-constructies
en werkwoordsvorming.
Scholen kunnen ook gebruik
maken van zogenaamde ritsmodellen. Een ritsmodel is een
werkplan waarin gedetailleerd wordt aangegeven welke
oefenstof uit de moedertaalmethode zonder problemen kan
worden vervangen door oefeningen uit een speciale
NT2-methode voor gevorderden.
In het SLO-project
'Meertaligheid en taal-beleid' worden verschillende
combinatievoorstellen op scholen uitgeprobeerd. De
ritsmodellen zijn afgestemd op scholen met verschillende
aantallen meertalige kinderen. Het gaat om combinaties van
NT1-NT2, zoals bijvoorbeeld Taal Kabaal in combinatie met
Allemaal Taal of Verder met Nederlands. Omdat scholen ook
andere moedertaalmethodes hebben is het zaak dat
leerkrachten zelf vaardig worden in het selecteren en
plannen van de veelheid van taalleerstof uit de
verschillende methodes. Het SLO heeft inmiddels een cursus
ontwikkeld waarmee leerkrachten hun voordeel kunnen
doen.
Met de reguliere
taalmethodes en NT2-methodes zijn de leerlingen nog te
weinig voorbereid op de teksten die zij bij de zaakvakken te
verwerken krijgen. In methodes voor zaakvak-ken komen
woorden en zinsconstructies voor die in moedertaalme-thodes
nauwelijks aan bod zijn geweest. Bij de zaakvakken komen de
taalvaardigheden luisteren, spreken, lezen en schrijven
binnen eenzelfde op-dracht vaak integraal aan de orde,
terwijl dit in taalmethodes meestal niet het geval
is.
Als een kind de oefenstof in
de reguliere taalmethode zonder veel moeite aan kan, is dat
dus nog geen garantie dat er bij de zaakvakken geen
problemen op kunnen treden. Het gaat bij de zaakvakken
immers niet meer over onderwerpen uit de directe omgeving
van het kind; de dagelijkse algemene taalvaardigheid (DAT)
is niet voldoende.
Uitgangspunt van
geïntegreerd taalonderwijs is dat je de meertaligheid
van de klas benut. Geef zo mogelijk de leerlingen de kans
een thema voor te bereiden in hun eigen taal. Daarna in het
Nederlands. Die benadering heeft vaak een positief effect op
het aanleren van het Nederlands.
Een enkele methode speelt in
op de meertaligheid van leerlingen, bij de meeste moet de
leerkracht zelf extra werk verzetten. Ga na bij welke
oefening je de talen kunt gebruiken die leerlingen van huis
uit spreken, inclusief de regiotalen of dialecten. Alle
leerlingen komen zo met meertaligheid in aanraking. Zij
kunnen op een speelse manier allemaal leren om iets in een
andere taal te zeggen.
Bij de introductie van een
nieuw thema kan een woordveld een handig hulpmiddel zijn.
Een woordveld kan ook in een andere taal worden gemaakt. Het
voordeel van een woordveld is dat nieuwe Nederlandse woorden
in een duidelijk verband worden aangeboden. Ga na of de
woorden voor de kinderen ook dezelfde betekenis hebben (denk
aan de diverse betekenissen van 'yoghurt'). Met dat
woordveld kun je nagaan wat de voorkennis van kinderen over
een onderwerp is.
2.3 Jeugdliteratuur
Het belang van
jeugdliteratuur
Iedereen is het er over eens
dat het belangrijk is om kinderen al vroeg te stimuleren tot
lezen, want lezen is een manier om kennis te vergaren;
kinderen krijgen in boeken de middelen aange-reikt om hun
grenzen te verleggen en hun ervarings-wereld te verruimen.
Op een betrekkelijk eenvoudige manier neem je kennis van
andere mensen, meningen, culturen, gewoonten, andere lan-den
en ontdekkingen of ontwikkelingen op talloze gebie-den.
Lezen stimuleert bovendien de taalontwikkeling en levert
vanzelfspre-kend een bijdrage aan de literaire ontwikkeling
van kinde-ren. En, niet in de laatste plaats, lezen is een
heel plezierige vrije-tijdsbesteding.
Het is zo langzamerhand geen
punt van discussie meer dat lezen het best gestimuleerd kan
worden door een breed aanbod van boeken, versjes, gedichten
en verhalen. Zowel thuis als op de peuterspeelzaal en op
school.
Fictie beschrijft niet de
echte werke-lijkheid, maar het lukt nooit om de
maatschap-pij, de werkelijkheid, buiten de verhalen te
houden. We kunnen ons immers alleen identifi-ceren met
personages uit het boek omdat we stukjes van een herkenbare
wereld zien, zelfs in science-fiction-verhalen. Een boek is
bij uitstek een middel om je in te leven en te verplaatsen
in iemand anders. Door boeken kunnen kinde-ren dat
leren.
We hebben gezocht naar
jeugdliteratuur die ge-schikt is voor gebruik in
intercultureel onderwijs voor kinderen tot een jaar of 13.
Dat betekent dat we boeken behandelen die bijdragen aan de
doelstelling van intercultureel onderwijs en die het
leesplezier bevorderen van kinderen uit verschillende
culturen.
We beperken ons tot
jeugdfictie en non-fictie, sprookjes, verha-len, boeken (op
cassetteband) en gedichten. Ook besteden we aandacht aan
rijmpjes, versjes en verhalen uit een orale traditie, omdat
die aansluiten bij een literaire cultuur waar alle kinderen
ervaring mee hebben, ook al is die orale traditie op school
misschien wat verflauwd.
Geschikte boeken voldoen
volgens ons aan de volgende criteria:
1 Ze mogen niet kwetsend
zijn voor welke etnische groep dan ook. Kwetsende
uitlatingen of denigrerend taalgebruik zijn makkelijk te
herkennen. Moeilijker wordt het als tussen de regels door op
badinerende of pater-nalistische wijze wordt geschre-ven
over verschillende etnische groepen.
2 Een witte, westerse
cul-tuur wordt niet als enig ideaal voorgesteld, waardoor
alle andere culturen minderwaardig worden.
3 De boeken bevorderen het
leesplezier. Illustraties verduidelijken de teksten of
voegen een extra dimensie toe. Beeldmateriaal kan dienen als
onder-steuning bij eerste- en tweede-taalver-werving.
Wanneer kinderen door de illu-straties het boek beter
begrij-pen, zullen zij snel-ler in staat zijn over een boek
te praten.
4 De boeken moeten
aansluiten bij de belevingswereld van kinderen in een
bepaalde leeftijdsgroep. Kinderen moeten zich kunnen
identificeren met de personages in het boek.
5 Het taalgebruik moet
correct zijn (goed Nederlands, Turks, Marokkaans, Chinees,
etc.).
De boeken die we bespreken,
hebben we in zes groepen ingedeeld. Die inde-ling vertoont
uiteraard overlappingen, maar is een goede basis gebleken
voor de samenstelling van de schoolbibliotheek. Zij wordt
ook gehanteerd door de Onderwijs-- mediatheekdienst van de
Openbare Bibliotheek Amsterdam.
Boeken met een
interculturele uitstraling
Dit zijn boeken die zich
afspelen in een multi-etnische en -culturele samenleving. De
verhalen en illustraties doen recht aan het dage-lijks
leven, de religie, de zeden en gewoonten van verschillende
groepen in onze samenleving. Wij denken dan ook boeken aan
waarin 'zwarte' hoofdper-sonen een positieve rol spelen in
een westerse samenle-ving en die mogelijkheden voor
identificatie geven. Wij vinden het van groot belang dat
zulke boeken aangeboden wor-den, maar helaas zijn er nog
maar weinig op de Nederlandse markt verkrijgbaar.
Een goed voorbeeld voor
kinderen in de leeftijd van 10 tot 11/12 jaar is Rosa van
Mary Hoffman, met schitterende illustraties van Caroline
Binch. Dit boek is onder-scheiden met de alterna-tieve
kinderboekhandelsprijs in 1993. Echt een topper. De
illustraties, paginagroot, in plakkaat-verf, tonen een zwart
meisje van een jaar of twaalf, vol zelfvertrou-wen en met
een groot gevoel van eigen-waar-de. Ze komt uit een
maat-schappe-lijk bewust gezin, waarin moeder en oma haar
opvoeden. De illu-straties voegen veel informa-tie toe aan
de tekst. De pogingen van Rosa om de hoofd-rol te krijgen in
een toneelstuk, komen uitvoerig aan de orde en Rosa wordt,
ondanks aan-vankelij-ke scepsis bij haar klasge-noten,
uiteinde-lijk uitverkozen.
Van zeer twijfelachtig
allooi is het boek De zweep van Nicole Boumaza. Het boek
geeft een zeer stereotiepe beschrijving van een Marokkaanse
familie, waarin de vader hard slaat, de moeder passief
toekijkt en de kinderen stuk voor stuk de dupe worden van de
opvoeding van de ouders. Dat de auteur zich bewust is van de
strekking van haar verhaal blijkt uit het nawoord, waarin ze
stelt het boek met opzet zo te hebben geschreven om meer
onderling begrip te kweken.
Naar onze opvatting kiest de
auteur echter voor het bevestigen van bestaande vooroordelen
en stereotiepe ideeën over 'de' Marokkaanse opvoeding.
Zij biedt geen voor-beel-den van andere Marok-kaan-se
gezinnen, relativeert op geen enkel moment en schiet haar
doel volgens ons volstrekt voor-bij. Het boek is wel
populair onder (ook Marokkaanse) tieners, vermoedelijk omdat
'kom-mer-en-kwel-boeken' hoog scoren onder deze
leeftijdsgroep. Maar in een multiculturele
onderwijssituatie, waar het bij-brengen van beter begrip
voor elkaar hoog in het vaandel moet staan, is het boek
volstrekt onbruikbaar.
Boeken over kinderen in
andere landen
Hoewel boeken met een
interculturele uitstraling van groot belang zijn voor
kinderen, zijn ook monoculturele boeken vaak zeer bruikbaar
in het multiculturele onderwijs. Al-lochtone kinderen hebben
vaak genoeg kennis van Neder-land opge-bouwd om ook
westerse, mono-cultu-rele boeken te begrij-pen. Vooral als
het boek een universeel thema aansnijdt. Zo kunnen ook
Nederlandse kinderen monoculturele boeken interessant vinden
die zich bijvoorbeeld in Turkije afspelen, als er maar
onderde-len van een herkenbare wereld in zitten.
Een goede non-fictie reeks
voor het basisonderwijs is Het dagelijks leven in de derde
wereld. Korte teksten, duidelijke recente foto's en
relevante informa-tie over een breed scala van landen worden
aangeboden in een hedendaagse lay-out.
Boeken met universele
thema's
De thema's die in deze
boeken worden aangesneden zijn zo algemeen dat ze voor elk
kind herkenbaar zijn. Het gaat dan om gevoelens van angst,
veiligheid, jaloe-zie en woede. In deze groep is zeer veel
keus, bijvoorbeeld De rode prinses van Paul Biegel worden
genoemd. De wens af te wijken van de standaardnorm zal voor
veel kinderen herkenbaar zijn.
Jeugdboeken in meer
talen
Het belang van een goede
beheersing van de moedertaal wordt steeds meer erkend als
een belangrijk goed en als voor-waarde voor een goede
ver-werving van de tweede taal. Veel woorden uit het
dagelijks leven beheersen jonge kinderen uit-sluitend in hun
moedertaal. Wanneer kinderen in een (prenten)boek of in een
gesprek met deze woorden in een andere taal worden
geconfron-teerd, zijn ze voor hen onbegrijpe-lijk. In
Amsterdam wordt al sinds 1987 veel energie gestoken in het
werken met 'intercultu-rele kijk- en leesluisterhoeken',
waar kinderen prentenboeken bekij-ken en luisteren naar de
tekst ervan, vertaald in hun eerste taal.
Andere makkelijk in
Nederland te verkrijgen prentenboeken zijn het al eerder
genoemde Ena en de vissen, ook in het Moluks verkrijgbaar en
het wat moeilijke prentenboek De koning die alleen maar van
paars hield van Ismail Kaya (een meertalige uitgave:
Nederlands, Turks, Arabisch).
Volksverhalen en
sprookjes
Sprookjes en volksverhalen
zijn in veel culturen belangrijk voor het overdragen van het
cultuurbezit. Die overdracht vindt niet alleen via het
geschreven woord plaats, maar ook door het vertellen van
verhalen. Autochtone en allochtone kinderen zullen in de
verschillende verhalen elementen van hun eigen achtergrond
herkennen. De aandacht en de waardering op school voor
verha-len uit andere culturen versterkt het zelfbeeld van
het al-lochtone kind.
Er zijn verschillende
geschikte (voorlees)boe-ken op de markt met Hodja-verhalen
of met Anansi-verhalen, zoals Anansi de spin weeft zich een
web om de wereld, verteld en getekend door Noni Lichtveld
(voor de bovenbouw) en Anansi en die andere beesten, ook
door Noni Lichtveld, voor de onderbouw van het
basisonderwijs.
Jeugdboeken van
allochtone schrijvers
In deze groep boeken vallen
in eerste instantie alle jeugdboeken die in een taal van een
etnische minderheidsgroep geschreven zijn. Vertaald uit het
Ara-bisch is bijvoorbeeld Mijn avontu-ren met Ab-dal-lah van
Ghazi Abdel Quadir. In tweede instantie kunnen hier ook
boeken van Engelstalige auteurs onder vallen (Virginia Allen
Jensen, Ezra Jack Keats).
Lezen op school en
thuis
Tot de doelstellingen van
intercultureel onderwijs behoort onlosmakelijk dat kinderen
met goede resultaten (leren) lezen. In Nederland liggen er
voor scholen tal van moge-lijkheden om hun
boekpromotie-activiteiten in samenwerking met de lokale
openbare bibliotheken vorm te geven. De instel-lingen voor
kunst-zinnige vorming bieden bovendien onder-steuning bij
literaire activiteiten.
Men raakt er steeds meer van
doordrongen dat lezen niet begint bij de basisschool, maar
in het gezin. In het gezin (en in het kinderdag-verblijf,
peuterspeelzaal en in de kleuterklas) wordt de basis gelegd
voor het latere lezen. Het proces waarin kinderen van jongs
af aan vertrouwd raken met de geletterde wereld noemen we
'ontluikende gelet-terdheid'. Het gaat bijvoorbeeld om het
leren werken met verschillen-de schrijf- en tekenmaterialen,
om het krabbelen en schrij-ven van jonge kinderen, om
tekenen, lied-jes zingen, zelf boodschappenbriefjes
meeschrijven met de ouders, de her-kenning van de eerste
letter van de naam.
De volgende factoren
werken positief op leesgedrag:
- Uiteraard de aanwezigheid
van boeken in het gezin en het bibliotheekbezoek, rust in
huis en stimulerende ouders, voorlezen en verhalen
vertellen, gesprekken over lectuur, belangstelling van
ouders voor wat kinderen lezen en adviezen van ouders bij
boekenkeuze.
- Uit onderzoek blijkt dat
vooral het praten thuis over boeken het leesklimaat in
gezinnen positief beïnvloedt. Hoe vroeger dit gebeurt,
des te beter. Concreet bete-kent het dat alle stimulerende
activiteiten die je als school onderneemt veel meer
resultaat boeken als ook de ouders thuis er aandacht aan
besteden. Dit betekent dat peuterspeelzalen, scholen,
biblio-theken veel aandacht zullen moeten besteden aan de
literaire cultuur die thuis aanwezig is. Bijvoorbeeld door
aan ouders collecties boeken (met cas-settebandjes) uit te
lenen en door het zingen van 'het liedje van de
week'.
- Interac-tief voorlezen
betekent uitno-digen en uitlokken, samenvatten en
informeren. Dit is vooral van belang voor kinderen die van
huis uit geen ervaring hebben met voorlezen.
- Het buitenschoolse lezen
is helaas geen wondermiddel om kinderen ook beter te laten
lezen. Het blijkt dat kinderen wel thuis lezen, maar heel
weinig: 43 procent van de kinderen in groep 6 leest minder
dan 1 keer per week. De gemiddelde tijd is 10 minuten. Hier
rust dus een belangrijke taak op de schouders van de school.
Er zal veel meer tijd uitgetrokken moeten worden voor
begrijpend lezen. Overigens blijft het lezen thuis van groot
belang, onder andere uit cultureel oogpunt. En gewoon, omdat
het lekker is, op de bank met een boek.
Ter
afsluiting
Boeken laten je een
werkelijkheid zien. Door te lezen verplaats je je in de
wereld van iemand anders, vorm je je beelden van mensen in
andere culturen en landen en herken je iets van jezelf.
Geschikte jeu-gdliteratuur is daarom belangrijk binnen
intercultureel onderwijs.
Voor het maken van een
definitieve keuze is het belangrijk om de inhoud van de
boeken nader te beoordelen. De bedoelingen van de auteur
doen er niet veel toe. Stel jezelf steeds de vraag hoe
verschillende kinderen het boek zullen lezen en of het
daarom wel geschikt is. Op die manier kun je ook besluiten
om een aantal boeken uit de bibliotheek te verwijderen en
niet meer aan de leerlingen aan te bieden.
Ga na of de inhoud niet
kwetsend is voor bepaalde etnische groeperingen en of witte,
westerse culturen niet op voorhand tot norm worden verheven.
Vaak is dat niet in één oogopslag duidelijk en
zul je ook tussen de regels door moeten lezen. Dan kun je de
volgende vragen stellen:
- Let op de karakters en de
verhaallijn. Wie is de hoofdpersoon? Wiens karakter
ontwikkelt zich in de loop van het verhaal? Hoe is de
verhouding tussen de karakters?
- Door wiens ogen kijken de
lezers naar wat er gebeurt en met wie zullen zij zich
identificeren? Wie voeren het woord, wie zijn
actief?
- Hoe functioneert de
alwetende verteller? Corrigeert de verteller bijvoorbeeld
stereotypen of negatieve opmerkingen van de figuren in het
boek? Ga na of beladen termen als 'primitief', 'neger',
'hutje' voorkomen, en of die in het verhaal ter discussie
staan.
- Op welke manier speelt
etniciteit een rol? Bepaalt etniciteit een karakter of zijn
de karakters bijzondere individuen, voor wie etniciteit een
onderdeel is van hun identiteit? En zijn de figuren jongens,
meisjes, mannen of vrouwen. Is hun positie rolbevestigend of
roldoorbrekend?
- Hoe komen diverse culturen
naar voren? Als vastomlijnd en star?
- Besteed ook aandacht aan
de illustraties: wie wordt afgebeeld en op welke
manier?
Tenslotte. Op school leer je
lezen. Toch blijkt dat de school dat niet alleen afkan.
Belangrijk is dat kinderen ook thuis lezen. Onderzoek daarom
welke mogelijkheden er zijn om ouders te betrekken bij het
leesonderwijs en hoe zij thuis een bijdrage kunnen leveren
aan het lezen van hun kinderen. En, bezie op welke manier
bibliotheken en instellingen voor kunstzinnige vorming een
rol kunnen spelen bij het ontwikkelen van leesvaardigheid en
leesplezier, samen met de school.
2.4 Noten
1 Jouw taal, mijn
taal, les 14. 1976. p.136.
2 Taalkabaal, thema 4.
Tilburg: Zwijsen, 1982. p.48.
3 Taal Totaal, boek 5,
groep 7. Groningen: Jacob Dijkstra, 1985.
p.11.
4 Ik weet wat ik lees,
groep 8, les 11. Groningen: Jacob Dijkstra, 1991. p.80
e.v.
5 Leespraat, groep 7.
Den Bosch: KPC, 1991. p.137 e.v.
6 Dit zijn wij, de les
Talen (intercultureel lespakket voor groep 7 en 8). Den
Haag: NBLC, 1990.
7 Taal Totaal, boek
5b, groep 7. Groningen: Jacob Dijkstra,
1985.
top
of page
|